Veldrijders tijdens de zware Koppenbergcross.

Foto David Stockman/Hollandse Hoogte

Rammen van start tot finish met een maximale hartslag

EK Veldrijden Dit weekend wordt het EK Veldrijden gehouden. De sport is de afgelopen jaren veranderd, zeggen kenners, en gaat steeds meer lijken op een exacte wetenschap. Fietsen op gevoel lijkt niet houdbaar.

Het is 1 november 2017, Allerheiligen, maar in Oost-Vlaanderen toch vooral de dag van de Koppenbergcross, niet per se een wedstrijd waar veel veldrijders naar uitkijken. Zo zwaar, zo onbarmhartig. Des te mooier voor het wielervolk, dat massaal opdraaft, handenwrijvend, kraaiend van plezier.

De race duurt al langer dan een uur als de wedstrijdleiding vindt dat er nóg een ronde verreden moet worden. Gebeurt zelden. Een veldrit voor mannen duurt meestal zestig minuten en een beetje. Op de Vlaamse tv spreken ze er schande van.

De heren veldrijders glijden over schuine kanten en hoppen over rechtopstaande balken. Het laatste beetje leven rammelt eruit over hobbelig gras, en dan, met de finish rechtsboven in zicht, liggen daar de even vervloekte als legendarische kasseien van de Koppenberg, beroemd door de Ronde van Vlaanderen. Ze moeten erover tot ze daadwerkelijk zwart zien. Een meter of 600 aan kinderkoppig tractorpad voert naar een punt waarvandaan het uitzicht over de Vlaamse Ardennen prachtig is, maar geen veldrijder die ervan genieten kan.

Mathieu van der Poel (23) gaat op zijn pedalen staan – waar hij het vandaan haalt weet hij zelf ook niet, het heeft veel met wilskracht te maken, de grenzen van het fysieke is hij al ver voorbij – en slaat een beslissend gat met zijn concurrenten. Maar op stukken van meer dan twintig procent begint hij als een dronkenman te slingeren. Van vermoeidheid krijgt hij z’n stuur niet meer recht. Als hij over de finishlijn rolt, valt hij naast zijn fiets en gaat hij in de foetushouding liggen. Zo diep is hij nog nooit gegaan. Een verzorger moet hem overeind helpen. Maar de winst is binnen. Dat helpt bij het herstel. Achter hem zijgt ook de Belg Toon Aerts ineen.

Een jaar later gelijke taferelen bij de Koppenbergcross, bekend als de zwaarste veldrit van de kalender. Alleen die start al, onderaan de straat die Steengat heet. Een sprint bergop, en dan het veld in voor een uur maximaal trappen zonder pauze. Onder uitzinnig geschreeuw en over terrein waar koeien de dienst uit horen te maken. Het resultaat is een zuivere vorm van natuurlijke selectie.

Anders dan vorig jaar kan Mathieu van der Poel het nu niet bolwerken. Hij domineerde de voorbije weken, speelt met zijn collega’s, maar op de Koppenberg vloeit de energie uit zijn lijf. Toeschouwers zien het al vlak na de start. „Hij loopt rood aan”, zegt er eentje. „En dat hoofd tussen die schouderkes, nee nee, dat wordt niks”, voorspelt een ander. Het wordt bewaarheid. Van der Poel eindigt onder een daverend applaus als 21ste, ruim vier minuten achter winnaar Toon Aerts.

Periodiseren en specialiseren

Na afloop zoekt Van der Poel naar een verklaring, maar vindt die niet. Zijn inzinking lijkt een jaarlijks terugkerend fenomeen te worden, zoals die op de WK in Valkenburg in februari, waar hij brons veroverde maar vooraf favoriet was voor goud. Hij won meer dan dertig veldritten, maar niet de belangrijkste van het jaar. Het roept vragen op over zijn aanpak, de manier waarop hij een seizoen indeelt. Van der Poel rijdt veel: veertig veldritten in vijf maanden, dan wereldbekers op de mountainbike, en ook nog races op de weg. Kan dat nog wel in de hedendaagse sport, waar periodiseren en specialiseren normale begrippen zijn geworden?

Van der Poel haalt er zijn schouders over op. „Dit kan gebeuren. Op het EK [in augustus] ging het niet op de mountainbike, maar een paar dagen later won ik zilver op de weg. Ik doe het al zo sinds de jeugd, win liever twintig wedstrijden dan dat ik er een paar uitkies”.

„Veldritten zijn tijdritten geworden. Van start tot finish is het rammen.”

Lars van der Haar, vierde op de Koppenberg

Maar het veldrijden is de voorbije jaren veranderd, zeggen velen, en vraagt wellicht meer dan ooit om een wetenschappelijke aanpak, eentje van structuur en van piekmomenten. Zo deelt aartsrivaal Wout van Aert zijn seizoenen in duidelijke blokken op. Hij verliest wel veldritten maar is goed op kampioenschappen, en niet zonder resultaat: de laatste twee jaar werd hij wereldkampioen.

De voorbije weken liep het niet bij de Belg, hij won nog geen cross. Hij trok naar Spanje om te rusten en te trainen, en keerde als herboren terug. Fysiek én mentaal: „Ik was weer bereid om door een muur te gaan”, zegt hij donderdag.

En inderdaad: Van Aert jaagt tegen de Koppenberg op alsof hij door de duivel achterna wordt gezeten. Hij wordt weliswaar ‘slechts’ derde, maar reist met toegenomen vertrouwen naar het EK in Rosmalen, dat deze zondag wordt verreden. In tegenstelling tot veelvraat Van der Poel. Die zegt, na de ontluistering van donderdag, op het laconieke af: „Ik heb richting het EK niets speciaals gedaan. Topsport is geen exacte wetenschap”.

Evolutie

Maar dat lijkt het juist wél te worden, een strijd die ook wordt beslist door cijfermatigheden, als leidraad voor trainingen en herstel. Veldrijden is geëvolueerd in een sport die door de toegenomen intensiteit planning vergt. Fietsen op gevoel lijkt niet houdbaar, zelfs niet voor Mathieu van der Poel, man van de aangeboren overmacht, wellicht in slaap gesukkeld omdat zijn rauwe talent hem altijd zover heeft gebracht.

Lars van der Haar, vierde op de Koppenberg, ondervindt het aan den lijve: „Toen ik acht jaar geleden begon, waren onze wedstrijden totaal anders. Dan ging het één ronde hard, vielen we stil, sloot Sven Nys na een slechte start aan, en werd de wedstrijd in de slotronde beslist. Veldritten zijn tijdritten geworden, tactiek speelt amper nog een rol. Het is rammen, rammen, rammen van begin tot eind, en dat twee keer per weekend. Doordeweeks kun je alleen nog maar wat los trappen. Voor kwalitatieve trainingen ben je vaak te gaar.”

Zag hoe oud-wereldkampioen veldrijden Lars Boom twee jaar geleden worstelde met een terugkeer in de sport waarin hij groot geworden was, na jarenlang op de weg te hebben gefietst. Op het WK van Heusden-Zolder werd hij gedesillusioneerd veertiende, waarna hij het ook weer voor gezien hield.

Een uitgeputte Geerte Hoeke na de Koppenbergcross. Foto David Stockman/HH

Om de intensiteit van het hedendaagse veldrijden te illustreren, vroeg NRC voorafgaand aan de Koppenbergcross bij diverse ploegen om uitdraaien van hartslagmeters. Een vijftal renners wilde meewerken, onder wie Marianne Vos, dominant dit seizoen, en Laurens Sweeck, een Vlaamse veldrijder die dit jaar al drie wedstrijden won. Vos liet de Koppenbergcross lopen om zondag fit aan het EK te beginnen. Haar hartslaggegevens komen uit de veldrit van Ruddervoorde, die ze vorige week won. Verder stuurden de Belgen Jim Aernouts en regerend wereldkampioen Sanne Cant hun gegevens op, net als de Japanner Yu Takenouchi. De ploeg van Mathieu van der Poel reageerde ook: „Meewerken is lastig. Hij rijdt niet met een hartslagmeter”.

De ingestuurde grafieken zien er alle hetzelfde uit: direct na de start schiet de lijn bijna verticaal omhoog, richting maximale hartfrequentie, om daar tot de finish te blijven. Maximaal betekent bij deze sportmensen tegen de 190 slagen. Vrouwenwedstrijden duren 45 minuten, die bij de mannen een uur.

193 slagen per minuut

Marianne Vos, olympisch kampioene op weg en baan, gaat in het veld duidelijk meteen ‘in het rood’. Ze zegt over een gemiddelde veldrit: „In de sprint van de start naar de eerste bocht gaat mijn hartslag naar mijn omslagpunt, dan 45 minuten daarboven, met nog een piek in de finale.” Vos heeft een maximale hartslag van 193 slagen per minuut, maar komt tot die piek als ze nog relatief „fris is”. In de veldrit van Ruddervoorde kwam ze tot 187 slagen, „waarschijnlijk omdat ik moe was van een voorgaande training”. Vermoeide sporters reiken logischerwijs minder diep.

Interessanter om te zien, is dat Vos met haar gemiddelde hartslag in de veldrit van Ruddervoorde drie kwartier lang boven haar omslagpunt zit, met uitschieters nog eens ver daarboven. Dat is een indicatie van de langdurige pijn die ze heeft geleden, en ook hoe weinig tijd er was om te herstellen. Haar hart bleef als een dolle pompen, ze vroeg het uiterste van haar lichaam.

Het omslagpunt is makkelijk gesteld het moment waarop een sporter in de zuurstofschuld raakt; de gevraagde inspanning is meer dan het lichaam aankan. Tot dat punt gaat het grofweg een uur lang prima, maar kom je erboven, dan wordt het exponentieel problematischer. De spieren maken melkzuur aan en manen het lichaam tot stoppen. Het omslagpunt ligt bij iedereen bij een ander aantal hartslagen, en is te verleggen door een intensieve manier van training, waarbij het lijf leert efficiënter met die zuurstofschuld om te gaan.

Bij Laurens Sweeck, zesde op de Koppenberg bij de mannen, gebeurt vanuit de start hetzelfde, maar zijn hartslagverloop kent meer pieken en dalen, net als die van Jim Aernouts (vijftiende) en Sanne Cant (zesde bij de vrouwen). De verklaring daarvoor is simpel: steeds wanneer Sweeck op de steilste stukken van die akelige Koppenberg reed, ging zijn hartslag richting maximaal – 184 in dit geval – en dat negen rondes lang. In de afdaling die volgde kon hij relatief tot rust komen. Met zijn gemiddelde zit hij één hartslag boven het punt waarop hij melkzuur gaat aanmaken, maar zijn wedstrijd duurde dan ook langer: zijn lichaam schreeuwde een uur lang om hulp. Zo intensief is de cross.

Peter Hollander, emeritus hoogleraar inspanningsfysiologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, vergelijkt het veldrijden met een slotbeklimming van een grote bergetappe in de Tour de France. „Deze mensen sporten op meer dan negentig procent van hun kunnen, en dat houden ze een uur lang vol. Dat is berezwaar.” Ze doen dat vaak twee keer in een weekend, een half jaar lang. Lars van der Haar: „Soms word ik op zondagochtend wakker en dan weet ik bij het inrijden voor de volgende cross niet hoe ik het ga doen”.

Het veldritseizoen komt deze zondag tot een eerste apotheose, tijdens het EK in Rosmalen. De vraag is of Mathieu van der Poel op tijd is bekomen van de schrik om zijn titel te verdedigen, en ook of Wout van Aerts planmatige aanpak genoeg is om Toon Aerts de baas te zijn. Voor allen geldt: de slijtageslag op de Koppenberg was er een van jewelste. Van Aert, die na de finish echtgenote Sarah nodig had om zijn helm af te krijgen: „Dit is geen ideale voorbereiding”.

Een ding zal voor iedereen hetzelfde zijn, zegt EK-parcoursbouwer en oud-wereldkampioen Richard Groenendaal: „Er liggen balken, een zandbak, een brug, trappen, een bos. Hun hartslag kan ik je voorspellen: één rechte lijn, diep in het rood”.

    • Dennis Boxhoorn