Recensie

Een afmattende tocht langs de kunsten

Peter Delpeut ‘In het zwart van de spiegel’ is literair gezien een tamelijk matte, afmattende leeservaring. (●●)

Wat is literaire ambitie? Een andere toon aanslaan, zoals J.Z. Herrenberg onlangs demonstreerde in het expressieve, breinbrekende Nederhalfrond? Of komt het neer op het schrijven van een Heel Dikke Roman? Zo ja, dan is de nieuwe roman van filmmaker en schrijver Peter Delpeut (1956) een goede kandidaat. In bijna 800 pagina’s voert hij ons door Europa, langs belangrijke plekken uit de geschiedenis van de, vooral beeldende, kunst.

Naast Nicolas Poussin, Goethe, Giotto, Borges is met name Claude Lorrain (1600-1682) daarin belangrijk, Frans schilder en naamgever van de Claudespiegel, die schilders in staat stelde om landschappen op een bepaalde manier te zien. Hulp bij het zien kan de naamloze verteller gebruiken. Hij gaat gebukt onder een oogkwaal die hem langzamerhand het zicht ontneemt.

Probeert de man nog zoveel mogelijk te zien voordat hij definitief blind zal worden? Zijn tocht heeft in elk geval iets bloedfanatieks, manisch bijna. In razend tempo trekt hij door Italië, Engeland, door tuinen, parken en musea, met onbekrompen maat zijn kennis en inzichten delend met de lezer.

Het opmerkelijke is dat Delpeut dit gedrag, laten we het zo maar noemen, geen contouren geeft, niet op een bepaalde manier belicht. Het is echt die kennis van de kunsten die het corpus van de roman bepaalt, niet, bijvoorbeeld, de staat waarin de verteller verkeert. Het is daarnaast ook vrijwel onmogelijk, ondervond ik, om die kennis naar onze moderne tijd over te hevelen, in te zetten bij een denkproces.

Dat maakt In het zwart van de spiegel literair een tamelijk matte, afmattende leeservaring en eerder een reusachtige journalistieke reportage, vol van de zogenaamd ‘objectieve’ kennis in plaats van de intieme of intellectualistische ervaring die een roman biedt.

Ook in Ben Lerners Leaving the Atocha Station, Houellebecqs De kaart en het gebied of Marente de Moors Roundhay, tuinscène lees je over de kunsten, maar: verklonken met iets anders, iets belangwekkenders. Met de mens achter het artistieke idee bijvoorbeeld, of met de huidige beeldcultuur. Dit is luisteren naar een museumgids. Je bent bij de blik, niet bij de ervaring.

Tamelijk diep in de roman stuiten we op wat vermoedelijk de pit is en die ook meteen een emotionaliteit verraadt. ‘Ik haalde de Claudespiegel uit mijn tas, klapte hem open en draaide me met mijn rug naar de poort van het park. In het zwart van de spiegel tekende zich voorzichtig een rustiek tafereel af, een lange weg die verdween tussen de bomen. Geen mooi plaatje, maar wel breed en hoog, een ruimte die leek te ademen. Een verruiming van mijn geest – als ik de wereld maar mijn rug durfde toe te keren.’

De reis is kortom een afscheidstournee, een laatste blik op wat onherroepelijk uit beeld zal verdwijnen. Op nukkige momenten vroeg ik me af of hij die wereld überhaupt nodig heeft, of hij wel zo nodig moet blijven bekijken en benoemen, zo vol staan zijn observaties met gemeenplaatsen als ‘onstuimige seks’, ‘slinkse streken’ en een ‘sterke troef’ en zo onderdanig is hij aan ‘de’ kunst, die hogere macht die altijd de moeite waard is. Nooit is iemand eens een jandoedel met een kwast, een pen of een camera, altijd is er wel wat uit te halen en altijd – wat een toeval – behoren die kunstenaars tot de canon. Wat het schoolboek vindt, vindt deze verteller ook.

    • Sebastiaan Kort