Recensie

Economie is de motor van de geschiedenis

Europa

De Britse historicus Ian Kershaw schreef in een soepele stijl ‘een verhaal over draaien en wendingen, hoogte- en dieptepunten en grote, steeds snellere transformatie’, oftewel over naoorlogs Europa.

Snelweg in Nederland op een autoloze zondag in 1973 Foto Hollandse Hoogte

Er is geen beter argument tegen het schrijven van een boek over Europa dan een bezoek aan een goede boekwinkel. Het aantal titels dat verschijnt is zo overweldigend dat iedere zin om er één aan toe te voegen, snel verdwijnt. Daar blijkt de Britse historicus Ian Kershaw, vooral bekend vanwege zijn omvangrijke biografie van Adolf Hitler, echter geen last van te hebben. Binnen drie jaar na verschijning van zijn geschiedenis van Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw (De afdaling in de hel) is de opvolger verschenen, Een naoorlogse achtbaan. Europa 1950-2018.

Het vergt een bijzondere ambitie om een geschiedenis van het eigentijdse Europa toe te voegen aan de indrukwekkende reeks van de afgelopen jaren; boeken van Norman Davies, Tony Judt, Mark Mazower, Bernard Wasserstein en, minder bekend wellicht maar minstens zo goed, van Duitse historici als August Winkler en Andreas Wirsching.

Het is niet duidelijk wat Kershaw (1943) precies wil toevoegen aan deze bibliotheek. Voor de goede orde, Een naoorlogse achtbaan is een uitstekend vertaalde geschiedenis van naoorlogs Europa. Kershaw is een groot verteller. Hij schrijft in een rustige, soepele stijl. Hij beperkt zich tot de feiten, grossiert niet in meningen (soms, vaak in korte tussenzinnen, klinken persoonlijke voor- en afkeuren door); en hij debiteert geen wilde interpretaties. Dat is prettig, en gezien het onderwerp van onderzoek zelfs bewonderenswaardig, maar is het voldoende voor een tegel van ruim zevenhonderd bladzijden?

Het pikante aan Een naoorlogse achtbaan is natuurlijk dat Kershaw de geschiedenis beschrijft van zijn eigen tijd en die van zijn lezers. En dat kostte hem naar eigen zeggen meer moeite dan enig ander boek. Eigentijdse geschiedenis is lastig. De historicus heeft meer bronnen tot zijn beschikking dan hem lief is, inclusief zijn eigen, subjectieve en ongetwijfeld gebrekkige geheugen. En de eigentijdse geschiedenis van Europa is bij uitstek ingewikkeld.

De geschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw is duidelijk. Die draait om de beide wereldoorlogen. Onze tijd daarentegen, aldus Kershaw, kent geen ‘overheersend’ thema. ‘Europa sinds 1950 was als een rit in een achtbaan’, ‘een verhaal over draaien en wendingen, hoogte- en dieptepunten, voorbijgaande veranderingen en grote, steeds snellere transformatie.’

Spannende loops

Kershaw merkt zelf op dat de beeldspraak van de achtbaan misschien niet zo gelukkig is. Een achtbaan keert als het goed is na een wilde rit met spannende loops weer op haar originele plek terug, en dat zit er voor Europa niet in. In geen enkele periode in de geschiedenis veranderde het continent (en een fors deel van de rest van de wereld) zo snel en zo ingrijpend als in onze tijd.

Een naoorlogse achtbaan is sterker in de beschrijving dan in de analyse. Kershaw vertelt vooral wat er is gebeurd in Europa na 1950, meer dan waarom het is gebeurd. De ijkpunten van de naoorlogse geschiedenis kent iedereen, dekolonisatie, Koude Oorlog, Europese integratie en de ondergang van de Sovjet-Unie, maar wat is de samenhang, wat is de rode draad? Wat zijn volgens Kershaw de bepalende factoren van de recente Europese geschiedenis geweest? In elk geval was ze niet het verhaal van grote mannen of vrouwen. Kershaw besteedt aandacht aan wie het verdient, maar vindt uiteindelijk dat maar enkele individuen een beslissende invloed op het verloop van de naoorlogse geschiedenis hebben gehad. Hij noemt Helmut Kohl en Michail Gorbatsjov bij name.

Ian Kershaw ziet het zelf wellicht anders, maar Een naoorlogse achtbaan levert vooral sterke argumenten voor een marxistische interpretatie van onze recente geschiedenis. Aan iedere ingrijpende lus van de achtbaan, aan iedere bijzondere wending van de geschiedenis (met uitzondering van de deling van het continent, die was het resultaat van het verloop van de oorlog), lijken economische factoren ten grondslag te hebben gelegen. Die vermeende roerige jaren zestig waren een onschuldig voorspel op de ingrijpende maatschappelijke ontwikkelingen die zich in de jaren zeventig zouden voltrekken. En deze veranderingen werden niet in gang gezet door rondhangende vetkuiven of stenen gooiende studenten, maar door het dramatische einde aan drie naoorlogse decennia van voortdurende economische groei (LesTrente Glorieuses zoals ze in Frankrijk worden genoemd) en door de oliecrises. Ze luidden de eerste ernstige economische recessie na de oorlog in.

Economische en vooral technologische ontwikkelingen zijn de motor van de eigentijdse Europese geschiedenis. Ze liggen ten grondslag aan vrijwel alle ingrijpende maatschappelijke en politieke veranderingen. De ups en downs, de momenten van ongebreideld optimisme en diep pessimisme die elkaar na de jaren zeventig in steeds hoger tempo opvolgden, hielden vrijwel altijd gelijke tred met de stand van de economie, die weer in belangrijke mate werd bepaald door de onwaarschijnlijke vaart die de technologische ontwikkeling heeft genomen.

Drama en onzekerheid

Net als in De afdaling in de hel wil Ker-shaw ook in Een naoorlogse achtbaan vooral ‘het drama laten zien, ‘de onzekerheid vaak over het verloop van de geschiedenis’. Is onzekerheid dan de rode draad in de naoorlogse ontwikkeling van Europa? Het ligt er aan. Drama en onzekerheid zijn vooral bepaald geweest door waar je was, en wanneer. In historisch perspectief waren de eerste naoorlogse decennia in West-Europa veilig en stabiel, en volgens veel tijdgenoten ook uitzonderlijk saai. Ze stonden in ieder geval in schril contrast met de ingrijpende veranderingen, de voortdurende armoede en de politieke terreur die het communistische experiment Oost-Europa bracht.

Maar uiteindelijk werd ook voor de meeste Oost-Europeanen het communisme zoiets als het weer: dikwijls onaangenaam, maar niet aan te ontkomen. Onzekerheid als rode draad van de gehele naoorlogse geschiedenis lijkt een vorm van anachronisme. Ze is vooral typerend voor ons eigen tijdsgewricht, voor Europa na de Koude Oorlog. Kershaw besluit zijn boek met een nog op te helderen paradox. Anno 2018 is Europa vreedzamer, welvarender en vrijer dan het sinds de oorlog is geweest, tegelijkertijd voelen de Europanen zich onzekerder en onveiliger dan ooit. Herkent u het? Het mooie aan eigentijdse geschiedschrijving is dat iedere lezer ook recensent is. Deelt u de interpretatie van Ian Kershaw? Heeft ook u de naoorlogse geschiedenis van onze Europese continent ervaren als een rit in een achtbaan?

    • André W.M. Gerrits