Recensie

Het grote misverstand over het verdwijnen van de waarheid

In een wereld van bubbels, beelden en alternatieve feiten doet de waarheid er steeds minder toe, wordt vaak beweerd. Maar is dat wel zo?

Foto Getty Images

Wat is er nog over van de waarheid? Niet veel, lijkt het soms. Na de komst van Trump, die grossiert in leugens (die hij wie weet zelf gelooft), gereputeerde media afdoet als fake news en ‘alternatieve feiten’ aanprijst, is het begrip post-truth (‘voorbij de waarheid’) een hapklaar bot geworden voor journalisten en columnisten. Geen wonder, het klinkt goed én geeft een heroïsche glans aan de bastions die naar eigen zeggen de waarheid nog in ere houden, zoals kranten.

Maar klopt de diagnose?

Niet volgens de Britse filosoof Julian Baggini (1968), oprichter van The Philosophers’ Magazine. In zijn paradoxaal onpretentieuze A Short History of Truth (de titel is waar; het telt maar zo’n honderd pagina’s) weerspreekt hij het idee dat waarheid er ‘niet meer toe doet’ in een wereld van bubbels en beelden (‘We hebben beelden’, zoals ze bij het NOS Journaal graag zeggen).

Integendeel, volgens Baggini wordt er eerder te veel belang gehecht aan eenduidige waarheid dan te weinig. Religieuze fundamentalisten zijn ervan overtuigd de Waarheid in pacht te hebben; de meest rabiate liefhebbers van complottheorieën noemen zichzelf niet voor niets truthers, noeste onderzoekers die op de esoterische waarheid uit zijn, achter het ‘officiële verhaal’.

Niettemin, er is natuurlijk wel degelijk een serieus probleem, aldus Baggini. Niet de afkalvende status van waarheid in het algemeen, waar conservatieve denkers zich graag over bekreunen. Wél de wijdverbreide onzekerheid over de vraag of en hoe waarheid kan worden vastgesteld, in zulke uiteenlopende domeinen als wetenschap, politiek en ethiek. Het naïeve vertrouwen in het vermogen dat te doen is ondermijnd, allereerst door de wetenschap, die ons een heel andere universum voorschotelt dan de alledaagse leefwereld. Maar ook door de psychologie, die laat zien hoe mensen onbewust illusies, filters en frames creëren. En dan is er ook nog de globalisering, die het tapijt heeft weggetrokken onder allerlei vanzelfsprekendheden.

Overtuigingen

Een van die factoren, de cognitieve vertekeningen in het menselijke beeld van de werkelijkheid, wordt helder en uitvoeriger behandeld in Post-Truth van de Amerikaanse filosoof en docent ethiek Lee McIntyre. Ook hij wijst erop dat mensen geneigd zijn eerder hun overtuigingen en vooroordelen te volgen dan wetenschappelijke feiten; zie het vaccinatie-oproer, of de hardnekkige twijfel aan klimaatopwarming.

Maar McIntyre verbindt dat inzicht aan een cultuurkritiek die veel minder overtuigt. Hij komt met de bekende klachten – het verval van de klassieke media, de opkomst van nepnieuws, postmodern relativisme – om te verklaren waarom ‘de waarheid’ het zo moeilijk heeft. Stuk voor stuk interessante factoren, maar te veel op een hoop. Bovendien miskent deze klaagzang dat een botsing van politieke of ideologische overtuigingen, postmodernisme of niet, zelden simpelweg wordt beslecht wordt door ‘de feiten’. Over de inval van Irak zijn alle feiten nu wel bekend, toch blijven voor- en tegenstanders het radicaal oneens. McIntyre’s geloof in de eenduidige overtuigingskracht van feiten is te groot.

Nuchtere conclusies

De ‘troost’ die Baggini in A Short History of Truth biedt, is dan ook een heel andere. We zijn in staat, tegen de verwarring, manipulaties en regelrechte leugens in, een genuanceerd onderscheid te blijven maken tussen waar en onwaar. Of tussen ‘waarheid als feit’, in wetenschap en journalistiek, en ‘waarheid als betekenis’ in moraal, kunst of religie. Dat levert weinig originele maar wel nuchtere conclusies op, zoals: de Koran of Bijbel zijn geen wetenschap (gelovigen moeten dus niet de pretentie hebben er de kiemen van atoomfysica in te ontwaren), maar dat wil niet zeggen dat ze er geen wijsheid aan kunnen ontlenen.

Ook moraal is geen kwestie van feitenkennis, maar mag ook weer niet flagrant in strijd zijn met inzichten uit de moderne wetenschap; zie culturele vooroordelen over gender of homoseksualiteit. Scepsis is gezond, luidt een ander inzicht, ook over ‘het officiële verhaal’ van autoriteiten, maar het cynisme van complotdenkers niet. Relativisme is ‘nobel’ voor zover het alternatieve perspectieven aandraagt, maar ‘alternatieve feiten’ bestaan niet.

Het zijn redelijke, soms zelfs iets te redelijke standpunten. Specialisten zullen er van alles op kunnen aanmerken, maar zijn hoofdstelling is sympathiek en overtuigend. Baggini put zich bovendien niet uit in academische theorieën over het waarheidsbegrip (die voor leken allang niet meer te volgen zijn). Dit is publieke filosofie van de betere soort.

Kortademig opstel

Verdraaiing van de feiten is niets nieuws en we zijn nog steeds in staat van mening te veranderen. Maar het idee dat waarheid een kwestie van perspectief is, heeft wel de wereld veroverd, schrijft Bas Heijne. Lees ook: We zijn beter te manipuleren dan ooit

Helaas gaat dat niet op voor Michiko Kakutani, de voormalige literair criticus van The New York Times. In haar essay The Death of Truth, een journalistieke aanklacht tegen de decadentie van het moderne Amerika, laat zij in hoog tempo een halve bibliotheek omvallen. Alleen al in het eerste hoofdstuk ontmoeten we Lincoln, Alexander Hamilton, Martin Luther King, Obama, Philip Roth, Douglas Hofstadter, Al Gore, Stefan Zweig en zelfs Geert Wilders. Kakutani heeft ook een haarscherpe neus voor modieuze slagzinnen en buzz words (post-truth, filters, bubbels, trolls, etc.). Daardoor is haar boek buitengewoon vlot leesbaar, maar krijgt het tegelijk ook iets oppervlakkigs. Een verzameling bon mots is nog geen analyse.

Helaas voegt ze zelf ook niet veel toe aan die bronnen en bibliotheken. Haar diagnose komt er in feite op neer dat alle pakkende diagnoses die anderen eerder stelden, terecht zijn: Trump heeft het gedaan, maar ook Hitler, Stalin, Steve Bannon, Julius Caesar (handelde al in fake news), en natuurlijk Foucault en Derrida. Allemaal droegen ze bij aan de vervanging van waarheid door reclame, propaganda en navelstaarderij. Die omnivore aanpak maakt Kakutani’s essay minder een ‘poging’ tot zelf nadenken dan het kortademige opstel van een overijverige scholier die vooral bang is iets te vergeten wat anderen al eerder hebben bedacht.

Handzame tips

Een stuk praktischer is The Truth Matters, een boekje-op-zakformaat van de Amerikaanse historicus, politiek adviseur en columnist Bruce Bartlett, dat in een tram- of busrit uit te lezen is (en dramatisch is opgedragen aan ‘alle journalisten die hun leven lieten om ons het nieuws te brengen’. Het boekje, dat bestaat uit stellingen met korte toelichtingen, biedt handzame tips voor het beoordelen van en omgaan met media, vooral voor niet-journalisten.

Soms zijn dat open deuren (‘Wikipedia is een prima plek om een onderzoek te beginnen, maar een slechte plek om het te beëindigen’), soms controversiële stellingen, zoals de bewering dat (in Amerikaanse media) conservatieven te weinig aan bod zijn gekomen, of de aanbeveling aan kranten om op te houden met commentaren; nadenken kunnen lezers zelf ook wel.

Maar de meeste observaties zijn ter zake: verhalen hebben vaak meer dan twee kanten (‘hij zei’, ‘zij zei’); lezers zeggen dat ze ‘de feiten’ willen, maar vragen vooral context en uitleg; bij opiniepeilingen niet op één peiling afgaan, en links zijn ‘essentieel als voetnoten bij een artikel’. Journalisten moeten laten zien waar ze zich op baseren.

Dat klopt. Waarheid is tenslotte gediend met verantwoording.

    • Sjoerd de Jong