De grootste van Feyenoord staat binnen

Foto Rien Zilvold

Niemand loopt zomaar langs Coen Moulijn, de man die iedereen voorbij dribbelde. Op wedstrijddagen van Feyenoord zie je dat het beste, als je een poosje bij zijn standbeeld gaat kijken. Daar, bij de ingang van de Olympiatribune, met glas in lood en hangend staal een monument van het Nieuwe Bouwen, staat Moulijn – Coentje voor Feyenoorders. Duizenden mensen lopen er op zo’n wedstrijddag langs en velen blijven staan, of kijken in het voorbijgaan even. Sommigen leggen een hand op zijn schouder, of geven even een knikje als ze langs lopen. Anderen houden stil, kijken Moulijn in de ogen. Of ze gaan op de foto.

Kijk, wijzen sommige vaders hun kinderen, dát is nou Coen Moulijn.

Nederland heeft amper een traditie met standbeelden van voetballende helden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland. Hier staat Abe Lenstra op z’n sokkel voor het naar hem vernoemde stadion in Heerenveen. Een bronzen Sander Boschker toont voor het stadion van FC Twente de KNVB-beker. En voor het kantoor van de voetbalbond in Zeist is een beeldentuin met ’s lands grootste voetballers.

Drie pingelaars

Maar als er één voetballer een standbeeld verdiende, dan was het Coen Moulijn (1937-2011). Weinig Rotterdamse voetballers waren zo groot als hij. Vóór Moulijn was er Faas Wilkes, pionier in het aartsconservatieve Nederland door in 1949 in het buitenland te gaan voetballen. En ná Moulijn is er Robin van Persie, de oude meester (35), in de eredivisie nog altijd onovertroffen zo goed. Alle drie pingelaars en estheten in een stad die om hard werken zou draaien.

Niet dat Coen Moulijn dat niet deed, hard werken. Hij wist wat het was, opgegroeid in de arme Bloklandstraat in het Oude Noorden. Maar als voetballer liet de linksvoor liever de linkerverdedigers het loopwerk doen. Jarenlang was linksback Cor Veldhoen de motor die Coen Moulijn draaiende hield.

Van het driemanschap Wilkes-Moulijn-Van Persie was Moulijn in Rotterdam de grootste. Dat kwam óók omdat hij meer dan Wilkes, die begin jaren zestig al stopte met voetballen, werd vereenzelvigd met de wederopbouw en economische bloei van de stad.

Feyenoord had in 1955 een recordbedrag van 25.000 gulden voor de tiener over om hem van Xerxes naar De Kuip te halen. Daar bleef Moulijn zeventien jaar en maakte hij de glorietijden van Feyenoord én Rotterdam mee. Ruim vijfhonderd wedstrijden, vijf landskampioenschappen, twee KNVB-bekers en in 1970 de Europa Cup en de Wereldbeker. Gelijktijdig werd Rotterdam de grootste haven ter wereld. Rotterdam was in die jaren havenkranen én Moulijn. „De zoon van Rotterdam”, noemde burgemeester Ahmed Aboutaleb Moulijn dan ook na diens overleden in januari 2011.

Moulijn is de derde sporter met een eigen beeld in Rotterdam

Logisch dus dat Moulijn een beeld kreeg. Met het wegtrekken van een grote Feyenoord-vlag onthulde Moulijn zijn bronzen zelf aan fans en familie op een bewolkte oktoberdag in 2009. Alsof hij een voorzet neemt, was het idee van kunstenaar Tom Waakop Reijers, die net als Moulijn opgroeide in het Oude Noorden.

Na Fanny Blankers-Koen en Bep van Klaveren werd Moulijn de derde sporter met een eigen beeld in Rotterdam. Maar de locatie was raar, ongelukkig. Midden op het plein voor de Kuip. Druk op wedstrijddagen, maar daarbuiten van God verlaten. Eens in de veertien dagen liepen de mensen om Moulijn heen, zíjn mensen. Maar op andere dagen stond hij er vreselijk alleen, onbeschut tegen wind, kou en onverlaten.

Toen Ajax-supporters het beeld in 2013 hadden beklad, besloot Feyenoord om Moulijn naar ‘binnen’ te halen – achter de stadionhekken. Ontoegankelijk buiten wedstrijddagen, en daarom voor veel mondige supporters een slechte optie, maar weduwe Adrie Moulijn noemt het „een schitterende plek”.

Eretribune

Met een Feyenoord-sjaal om zijn nek geknoopt, takelde een groep bouwvakkers hem naar zijn nieuwe plaats. „Schitterend”, inderdaad, deze plek, en ook veel logischer. Bij de Olympiatribune is waar Moulijn thuishoort. In zijn jaren als topvoetballer was dit deel van het stadion de eretribune. Waar nu het clubmuseum zit, was toen de koffiekamer waar bestuur en genodigden elkaar troffen. Een statige trap leidt naar de stadionvakken. De hand van architect Leendert van der Vlugt is er zichtbaar: net als in de Van Nelle Fabriek veel glas en staal. Boven hangt een gedenksteen voor Feyenoorders die omkwamen in de Tweede Wereldoorlog, oneerbiedig weggestopt in een hoekje, maar toch.

En op de stoeptegels achter Moulijn, onder de pui, staan de namen van de mannen die Feyenoord in 1970 de Europa Cup I bezorgden. De stenen zijn verweerd, namen steeds slechter te lezen. Het is tragisch, het verval dat zich op steeds meer plekken meester maakt van De Kuip. Weinig mensen die nog doorhebben over welke grootheden ze heenlopen als ze De Kuip binnenwandelen.

Maar zomaar langs Moulijn lopen? Nee, dat doet vrijwel niemand.

    • Mark Lievisse Adriaanse