Recensie

Cornelissen dichtte zwanger van de dood (●●●●)

Naast dichter, danser en denker was Wilbert Cornelissen (1958 – 2018) insectenliefhebber. In die hoedanigheid presenteerde hij zichzelf als ‘de Mottenfokker’. Onder die naam schreef hij jarenlang elke dag een ‘stadsgedicht’.

Wilbert Cornelissen, in 2014 thuis in Amsterdam gefotografeerd door Thijs Wolzak voor de NRC-rubriek 'Binnenkijken'.

Dichter, danser en denker noemde hij zichzelf graag. Een onmogelijk drietal, maar niet voor Wilbert Cornelissen (1958). De op 19 oktober gestorven dichter wist zich in elk van deze disciplines thuis. En hij kende het spanningsveld tussen de taal, de beweging en de beschouwing. Hij kon daar sardonische poëzie over schrijven, zoals ‘Poëzie minus de dans’:

Ze hadden zangers willen zijn

in een band, eigenlijk,

de dichters, gedragen door

muziek uit de ondergrond;

het ritme daagt in de verte,

komt aan in het zitvlees

waar het resoneert:

‘dichters dansen niet’

zeggen ze met een knipoog

die zwaar in het slot valt:

dichters dansen niet,

want zouden ze dansen,

wat zou er nog te dichten

overblijven?

Naast dichter, danser en denker was Wilbert Cornelissen insectenliefhebber. In die hoedanigheid presenteerde hij zichzelf als ‘de Mottenfokker’. Onder die naam ook schreef hij tussen 1 januari 2007 en 31 december 2016 elke dag een ‘stadsgedicht’. De oogst van die dagelijkse volharding omvat 3.714 verzen. Uit dat indrukwekkende oeuvre koos hij vierenzestig verzen voor opname in zijn derde bundel, Elke dag een / Proefsleuven. ‘Poëzie minus de dans’ is het laatste gedicht daarin.

Terug in de tijd

Toen de bundel verscheen wist Wilbert Cornelissen al twee jaar dat zijn dagen geteld waren. ‘Poëzie minus de dans’ is van vóór de diagnose, dus nog niet in de schaduw daarvan geschreven. Het is vederlicht, als een speels menuet. Maar dit geldt wonderlijk genoeg ook voor de gedichten die Elke dag een tot kroniek van een aangekondigde dood maken.

Opmerkelijk is dat de gedichten in omgekeerde volgorde zijn gerangschikt. Het openingsvers werd eind december 2016 geschreven, het slotvers ontstond eind juni 2015. De horizon van de poëzie richt zich dus op het leven. Als lezer volg je dat terug in de tijd. In de eerste afdeling, ‘Sleuf (1)’, is de dood nabij. ‘Het verdwijnlijf’, ‘De morfinist’ en ‘De hoeder van mijn verscheiden’ zijn dan opvallende titels. Maar de taal is ook in deze verzen licht, relativerend, en de versvoeten dansen. De vorm is consequent: elk gedicht is een opeenstapeling van tweeregelige coupletten. Veel witregels dus, die ruimte bieden voor een luchtige interpretatie van de diepere beschouwing waaraan de dichter zich als afgestudeerd filosoof soms wijdt. Die beschouwelijkheid is overigens nooit problematisch, doordat ze zich tot alledaagsheden beperkt.

Horizon in mijn lichaam

Een vergelijking met het werk van J.A. dèr Mouw – de dichter van ‘’k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’ – lijkt zinnig. Die dichter was zeker geen danser, denk ik na lezing van zijn biografie. Wel was hij een filosoof, die uiteindelijk voor de poëzie koos en daarin een zelfde relativerende luchthartigheid kon tonen als Wilbert Cornelissen. De productie van beiden was indrukwekkend. Het oeuvre van Dèr Mouw is grotendeels na zijn overlijden gepubliceerd. Van Cornelissen liggen nog 3.650 stadsgedichten in de la.

Wilbert Cornelissen kon laconiek of op z’n minst berustend zijn over ‘de aangekondigde dood waarvan ik zwanger ben’. Met een filosofenblik concludeerde hij: ‘Er is dus zoiets als een horizon in mijn lichaam’. Als hij Bernlefs ‘Meer in dingen dan in mensen’ herschrijft, stelt hij dat de dood, als hij leeft, met het leven sterft.

op elke grafsteen hoort dan te staan:

hier stierf de dood zijn zoveelste leven

Een goed gedicht laat zich steeds anders lezen, en blijft op den duur in je hangen. Wilbert Cornelissen was een nauwgezet observator en kon zijn blik soms opzettelijk scheel richten. Een mooi voorbeeld is het nostalgische ‘Mus’. De dichter noemt mussen ‘de soundtrack van mijn jeugd / wanneer er geen transistor-radio aanstond’. Tsjilpen was het overheersende vogelgeluid. Maar toen werden de tochtgaten in de huizen gedicht en raakte de mus uit het beeld. De dichter ziet nog wel eens een heggenmus, ‘zo’n einzelgänger, / die nog in de verte herinnert aan de tsjilpers; // zij laten zich gemakkelijk wegjagen, / blijven dan hardnekkig hangen in een gedicht’.

Stuifmeel van ijsbloemen

Geestig was Wilbert Cornelissen ook soms. Dan strooide hij briljantjes zoals in ‘De geur van kou’: ‘je moet wel een Baudelaire zijn om het stuifmeel / van ijsbloemen te ruiken in de winter’. En dat in een terloops gedicht, dat deel uitmaakt van een lange dagreeks van poëtische ‘proefsleuven’. Met die reeks probeerde de dichter de geest van de beginnende poëzie te vangen. Dat lijkt meer dan gelukt.

Wilbert Cornelissen publiceerde twee eerdere bundels: Ontfermingen (1998) en Kinderlandschappen (2002). Daarnaast schreef hij onder de titel ‘Klein landschap’ blogs voor literair tijdschrift Tirade. Het wachten is op een bundeling van die blogs, en van een nieuwe keuze uit de ‘stadsgedichten’.

    • Arie van den Berg