Brieven

Brieven

In zijn recensie van My Foolish Heart, een film waarin de hoofdpersoon ‘Chet Baker’ heet, warmt Coen van Zwol enkele oeroude misverstanden op (My Foolish Heart’ maakt Chet Baker niet mooier dan hij was, 31/10). Zo verloor jazztrompettist Baker niet zijn boventanden bij een gevecht. Bij een overval (zomer ’66) verloor hij één stukje van één tand. Daarna ging hij nog geruime tijd door met spelen – sla de discografieën er maar op na – en aanvankelijk helemaal niet slecht. Van Zwol werpt ook de vraag op of Baker uit zijn hotelraam kan zijn geduwd. Het antwoord is te vinden in alle edities van mijn Baker-biografie sinds 1989. In het kort: er waren in de kamer geen sporen van een worsteling of überhaupt aanwezigheid van een tweede persoon. De deur was van binnen afgesloten. Een moordenaar had met een ladder naar de tweede etage moeten klimmen om daar Baker uit het raam te duwen. De recensent noemt de film ‘eerlijk’ en noteert dat Baker slechts ‘afwezig gemompel’ over zijn lippen krijgt. Dit detoneert met de ontelbare interviews waarin Baker eloquent voor de dag komt. De vermeende ‘verloedering’ contrasteert in ieder geval met de artistieke realiteit. Neem het laatste jaar voor zijn overlijden op 13 mei 1988; een triomftocht langs grotere clubs, concertzalen en de betere platenstudio’s. Met als één van de hoogtepunten: een optreden met een 50-koppig orkest in Duitsland, twee weken voor de fatale val. De makers van My Foolish Heart hebben hun dichterlijke vrijheden genomen en dat is hun goed recht. Maar laten we in vredesnaam een verschil maken tussen de rolprent en de realiteit.

    • Jeroen de Valk