Zij willen de discussie wél aangaan

Jonge accountants Accountants worden geacht hun klanten kritisch te controleren, terwijl diezelfde klant ze betaalt. Jonge accountants vinden dat verdienmodel „niet meer van deze tijd”. Wat is de oplossing?

Illustratie Pepijn Barnard

Eén keer heeft accountant Reinier Veld een „vloekende klant” aan de lijn gehad. De klant wilde snel een handtekening, maar moest daar wat langer op wachten. Reinier en zijn collega’s van KPMG vonden het belangrijker om de controle goed te doen, dan de afgesproken deadline te halen.

Inmiddels kan Reinier Veld er wel om lachen: „‘Kwaliteit is óók je deadline halen’, kreeg ik te horen.” Hij had cursussen gevolgd over dit soort dilemma’s, met titels als ‘rechte rug’ en ‘zeg wat je ziet’. In zo’n situatie moet je als accountant dus voet bij stuk houden, had hij geleerd. „Maar het bleven moeilijke gesprekken.”

Het is duidelijk wat van accountants verwacht wordt: dat ze de kwaliteit van hun controle vooropstellen, in plaats van snel geld verdienen, en dat ze zich niet door hun klant laten intimideren – ook niet als ze die anders dreigen te verliezen.

Afgelopen jaren is echter gebleken dat accountants zich lang niet altijd gedragen zoals het hoort. Er waren schandalen: wanprestaties, fraude. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) deelde stevige onvoldoendes uit aan de grote vier kantoren: KPMG, Deloitte, PwC en EY.

Al een paar jaar zijn accountants bezig zichzelf te verbeteren – maar niet hard genoeg, vindt de commissie die de verbeteringen volgt. Ja, ze hebben „flinke vorderingen” gemaakt met de 53 maatregelen die ze zelf hebben bedacht, schreef de commissie dit voorjaar. Maar ze zijn niet bereid heikele kwesties zoals hun verdienmodel „echt ter discussie te stellen”. Een typisch geval van „‘system fights back’, ter behoud van de status quo”.

Lees ook dit interview met commissie-voorzitter Ada van der Veer: ‘Het is tijd om het over de écht gevoelige dingen te hebben’

Dat geldt echter niet voor de nieuwe generatie accountants, zo blijkt uit een recente studie van Nyenrode Business Universiteit, onder 517 accountants onder de 35 jaar. Neem het verdienmodel: accountants worden geacht hun klanten kritisch te controleren, terwijl diezelfde klant ze grif betaalt. Jonge accountants vinden dat „niet meer van deze tijd”, zo valt te lezen in het onderzoek.

NRC ging met drie jonge accountants in gesprek. Gina Schuurman (29) werkt zeven jaar bij EY, waar ze jaarverslagen van bedrijven en andere instellingen controleert. Reinier Veld (38) werkt bij het Catharina Ziekenhuis in Eindhoven, daarvoor zat hij negen jaar bij KPMG. Bij het ziekenhuis houdt hij zich als ‘accountant in business’ onder meer bezig met omzetprognoses. Leonie Peters (35) is accountant bij de Belastingdienst, ook zij is haar carrière begonnen bij KPMG. Als accountant in overheidsdienst controleert ze of grote bedrijven netjes belasting betalen.

In een groepsgesprek legde NRC hen vragen voor over de heikele kwesties binnen hun vak. Hoe kijken zij er tegenaan? En welke oplossingen zien ze?

1 Wíllen accountants stiekem liever niet te veel veranderen?

Gina van EY neemt het voor haar vakgenoten op. „Er zijn afgelopen jaren stappen gezet”, vindt ze. Zo hebben accountantskantoren een onafhankelijke raad van commissarissen ingesteld en is de beloning meer gekoppeld aan kwaliteit, in plaats van aan commerciële resultaten. „Je moet ook realistisch zijn. Het gaat niet over één bedrijf, er moet een hele sector in beweging komen.”

Reinier vindt ook dat accountantskantoren „best wel voortvarend” te werk zijn gegaan. Tegelijkertijd denkt hij ook te zien dat veel accountants sommige grote controversiële kwesties inderdaad liever niet ter discussie stellen. Accountants noemen dit zelf wicked problems – eigenlijk te ingewikkeld om op te lossen, zoals het verdienmodel en het partnermodel. Reinier: „Ze hebben het gevoel: we zijn al zo hard bezig, we doen al zo ons best, moeten we nu nóg meer veranderen?”

2 Wat was – of is – er mis met de cultuur binnen accountantskantoren?

Hier moeten ze alle drie even over nadenken. Dan vat Reinier het samen. „Accountants werkten in de eerste plaats voor de klant, terwijl ze eigenlijk het publiek belang voorop moeten stellen.” Accountants hebben een wettelijk monopolie op een publieke taak: de controle van de jaarverslagen van Nederlandse bedrijven en instellingen. Als de accountant zijn handtekening zet, moeten gebruikers – beleggers, toezichthouders, werknemers – erop kunnen vertrouwen dat de informatie klopt.

3 Is het verdienmodel inderdaad ‘niet meer van deze tijd’?

Reinier is het hier roerend mee eens. „Als we willen dat het vertrouwen in accountants herstelt, moeten ze niet meer direct door de klant worden betaald. Want hoe je het ook inricht, je houdt het probleem dat accountants de hand moeten slaan die ze voedt.” Dat moet anders. „Of ze nou onafhankelijk te werk gaan of niet, de perceptie van afhankelijkheid blijft zo altijd in stand.”

Wat is dan de oplossing? Alle accountants in overheidsdienst? „Ik weet niet of dat nou beter is”, zegt Leonie, die voor de overheid werkt. Het risico daarvan is „een logge organisatie”, doordat de marktwerking ontbreekt. Een alternatief is dat de overheid „als tussenschakel” tussen de klanten en de accountantskantoren komt te staan, en de opdrachten verdeelt. „Dat lijkt me wel een goed idee.”

4 En het partnermodel?

Accountantskantoren zijn eigendom van de partners, een groep accountants die zich in de maatschap heeft ingekocht en de winst onderling verdeelt. „Zij hebben belang bij zo groot mogelijke marges”, zegt Leonie. „Dat uitgangspunt strookt niet altijd met streven naar de hoogste kwaliteit.” Reinier geeft een voorbeeld: „Hoe geneigd ben je dan om grote investeringen te doen?”

Leonie en Reinier werken niet meer voor een maatschap in handen van een groep partners. Gina bij EY wel. Zij ziet behalve nadelen ook voordelen. „Partners voelen als eigenaren meer verantwoordelijkheid dan werknemers in loondienst. Dat drijft hen juist om wel te investeren in de lange termijn.” Bovendien dwingt de tucht van de markt daar vanzelf toe: „Accountantskantoren moeten wel, willen ze meekomen met de rest.”

Het is goed dat de beloning van partners nu meer afhangt van of ze hun werk goed doen, zegt Leonie, en niet alleen van hoeveel omzet ze binnenbrengen. Zo krijgen ze een deel van de winst pas na zes jaar. Als in die jaren aan het licht komt dat ze grote fouten hebben gemaakt, krijgen ze dat deel niet. Maar de kwaliteitsafhankelijke beloning zou wat haar betreft nog verder mogen gaan: „Het zou ook beloond moeten worden als een partner afscheid durft te nemen van een klant waarbij hij zijn werk niet goed kan doen.”

5 Is de werkdruk te hoog?

Overwerken hoort erbij, is de ervaring van Reinier in zijn tijd bij KPMG. Tijdens busy season – de periode dat de jaarrekeningen moeten worden ondertekend – werken accountants gemiddeld zestig uur per week. Met twee kleine kinderen thuis „brak dat wel redelijk op”. Reinier was samen met een collega de eerste man op het kantoor in Eindhoven die vier dagen ging werken. „Maar op die vrije dinsdagen was ik dan vaak alsnog aan het werk.”

De hoge werkdruk was de reden dat Reinier twee jaar geleden overstapte naar de publieke sector. Ook Leonie stapte om die reden over: „In de avonden en weekenden zaten we geregeld op kantoor. Dat was de cultuur.”

Gina vindt haar werktijden bij EY nu goed te doen. „Ik heb ook wel een tijdje gedacht: dit is te druk voor mij. Maar ik ben ondertussen iemand die grenzen aangeeft. Dat wordt gelukkig geaccepteerd.” Voorlopig ziet Gina zich nog bij het kantoor werken. Droomt ze ervan om partner te worden? „Ik wil in de toekomst graag moeder worden, ik weet niet of ik dat zou kunnen of willen combineren.”

Lees ook dit artikel over de werkdruk die jonge accountants ervaren: Wie wil er nog accountant worden?

6 Is het nog leuk om te zeggen dat je accountant bent?

Gina vindt van wel, al reageren mensen niet altijd even positief. „Ze krijgen alleen mee wat er in de media komt, wat er niet goed gaat. Dan moet je in de verdediging. Maar ik vind het een mooi beroep, dus ik vertel er graag over.”

Buitenstaanders hebben soms te veel verwachtingen van de accountant, vindt Gina. Die „verwachtingskloof” zorgt ervoor dat het publiek al gauw naar de accountant wijst, zodra er iets misgaat. Maar: „Wij zitten niet 365 dagen per jaar bij de klant.”

Dat ís zo, zegt Reinier. „Maar dat is ook een nuancering waar accountants te snel inschieten”, vindt hij. Dit verweer draagt niet bij aan het vertrouwen. „Je kan ook zeggen: ik snap dat jullie dat van ons verwacht hadden, ik had het zelf ook willen ontdekken.”

Reinier werkte bij KPMG toen het kantoor meermaals om fraude-affaires in het nieuws kwam. „Schandelijk”, vond hij het, wat er gebeurd was. Net als de vrienden en kennissen die hem erop aanspraken. En ook „schadelijk, voor het hele beroep”. Het is belangrijk dat de reputatie van accountants verbetert, vindt hij. „Je wil trots kunnen zijn op wat je doet.”

    • Teri van der Heijden