Van Engelshoven: ‘Geen Holle Bolle Gijs’

Vier kwesties in het Hoger Onderwijs Minister Van Engelshoven zegt dat ze veel meer uitgeeft aan hoger onderwijs. Toch daalt de rijksbijdrage per student.

Aankomende eerstejaarsstudenten van de Erasmus Universiteit volgen een college om de kans op studiesucces te vergroten. Foto Jerry Lampen/ANP

Wat zijn de vier belangrijkste kwesties in het hoger onderwijs die minister Ingrid van Engelshoven (Hoger Onderwijs, D66) moet oplossen? En wat doet ze eraan? Deze week behandelde de Tweede Kamer de begroting voor het onderwijs.

1 Groei van de universiteit beheersen

Volgens Wim van Saarloos, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), is er sprake van een race to the bottom van de universiteiten. „Er zit een perverse prikkel in: om gelijk te blijven in financiering moeten universiteiten groeien. Dan neemt de basisfinanciering per student af’’, zegt hij.

Dit studiejaar groeit het aantal studenten aan de universiteit met vijf procent, terwijl de ramingen van de overheidsbegroting slechts met twee procent rekening hebben gehouden. Volgens de Vereniging van Samenwerkende Universiteiten (VSNU) daalt de rijksbijdrage per student voor onderwijs en onderzoek al jaren.

Tot nu toe zet Van Engelshoven in op méér doorstroming naar het hoger onderwijs. De Kamer dringt daar op aan. Ze heeft het collegegeld voor het eerste jaar gehalveerd (kosten 165 miljoen euro) en wil wettelijke voorwaarden stellen aan het instellen van een studentenstop. De minister wil met universiteiten in overleg over het wegsturen van eerstejaars die te weinig punten halen (bindend studieadvies). „We willen niet dat kansrijke studenten onterecht uitvallen en vervolgens gewoon bij een andere instelling aan dezelfde opleiding beginnen. Dat is zonde van de student”, zei ze donderdag. De groei van het aantal hbo-studenten (1,3 procent vorig jaar) is evenwichtiger dan die van universiteiten.

Om de prikkels minder pervers te maken, maakt Van Engelshoven prestatieafspraken met universiteiten, waarbij minder op rendement wordt gestuurd. Ze heeft in dit verband ook de commissie Van Rijn ingesteld die advies moet uitbrengen over een ander bekostigingsstelsel. Universiteiten zouden dan niet allemaal achter dezelfde internationale topstatus hoeven aan te hollen, maar zich kunnen specialiseren in onderwijs of in onderzoek. Hogescholen kennen al meer onderlinge diversiteit dan universiteiten. Moeten technische opleidingen, met afgestudeerden waaraan grote behoefte is, meer geld krijgen? De bedoeling is dat nog deze kabinetsperiode een nieuw bekostigingsstelsel wordt ingevoerd.

2 Internationalisering

De groei van universiteiten komt vooral uit het buitenland. Een vijfde van de studenten is buitenlands, een vijfde daarvan is niet-Europees en betaalt een hoog, kostendekkend collegegeld. De andere, Europese studenten kosten evenveel als Nederlanders. Het doel van internationalisering is om buitenlands talent aan te trekken en om Nederlandse studenten in een internationale omgeving op te leiden.

Lees ook: De ‘international classroom’ op universiteiten bestaat niet

Maar internationalisering wordt ook gebruikt om een opleiding overeind te houden. Ook bij hogescholen groeit het aantal Engelstalige opleidingen. Buitenlandse studenten komen graag, want Nederlandse universiteiten en hogescholen zijn niet duur en staan vaak hoog aangeschreven. In verscheidene plaatsen was de toestroom zo groot dat internationale studenten tijdelijk in tenten moesten kamperen.

Van Engelshoven wil hogere eisen stellen aan het invoeren van Engels door een opleiding. Een wet moet het mogelijk maken om een studentenstop in te stellen op alleen de Engelstalige tak van een opleiding. Pieter Duisenberg, voorzitter van de VSNU, vindt dat een goed idee, maar hoopt dat het sneller kan en dat er geen wet voor nodig is.

3 Vermindering van de werkdruk van docenten

De rek is er uit. „Wat is de menselijke prijs die we betalen door van de hele wereld het meest voor een dubbeltje op de eerste rang te zitten?”, zei dinsdag Tweede Kamerlid Zihni Özdil (GroenLinks), die zelf aan de Erasmus Universiteit heeft gedoceerd.

Driekwart van het wetenschappelijke personeel werkt in de avonden en weekeinden, 63 procent zegt overbelast te zijn. Zeker 40 procent van de docenten heeft geen vaste baan. Van Engelshoven citeerde donderdag het oordeel van het Rathenau Instituut, dat het werken met losse contracten ook aan de instellingen zelf ligt. Een protestorganisatie van universitaire docenten, WOinactie, demonstreert voor meer geld om de werkomstandigheden te verbeteren. Van Engelshoven zei donderdag dat ze al 577 miljoen netto extra aan hoger onderwijs en wetenschap gaat uitgeven. Degenen die meer vragen, hebben „de logica van Holle Bolle Gijs die propte en schrokte en nog van honger niet kon slapen”, zei ze donderdag.

Lees ook: De geldschieter wil wel zelf wat aan het onderzoek hebben

4 Minder bureaucratische wetenschapsfinanciering

Docenten aan de universiteit zijn veel tijd kwijt met het schrijven van onderzoeksvoorstellen – die meestal niet worden gehonoreerd. Van Engelshoven heeft 250 miljoen extra voor onderzoek op de begroting. Van Saarloos van de KNAW is daar blij mee, maar het grootste deel van dat geld gaat niet direct naar de universiteiten, maar moet per voorstel worden aangevraagd. Vandaar dat ondanks de stijgende onderzoeksuitgaven de vaste gemiddelde rijksbijdrage voor onderwijs en onderzoek per student blijft dalen, door het groeiende aantal studenten. De bijdragen voor onderwijs en onderzoek zijn onderling verweven, gaf de minister donderdag inderdaad toe. De VSNU verbindt hieraan de conclusie dat de rechtstreekse rijksbijdrage voor onderzoek aan universiteiten en het onderwijsgeld bij elkaar moeten worden opgeteld. Dan blijkt dat per student de rijksbijdrage al jaren daalt.

    • Maarten Huygen