Recensie

Paddogeluk in een herfststorm

Paddenstoelen

Twee boeken vertellen over de wondere zwammenwereld: ‘Sommige kun je eten, andere doen je trippen, of je kunt je witte sokken ermee verven, waarna ze lichtgeven in het donker.’

Foto iStock

De Tranende Franjehoed, het Plooirokje, de Krulzoom, het Wissewasje: alleen al de námen van paddenstoelen zijn sprookjesachtig. Om nog maar niet te spreken van de wijze waarop ze plotseling kunnen opduiken en weer verdwijnen. Of van hun veelheid aan verschijningsvormen. Van vaalbruin propje tot reusachtig wit ei; van elegant oortje tot bonkige kluif – als je er eenmaal oog voor hebt, zie je overal paddenstoelen, zelfs dit jaar, nu er door de droogte minder zijn dan anders.

Sommige kun je eten, andere doen je trippen, of je kunt je witte sokken ermee verven, waarna ze lichtgeven in het donker. Alleen al in Nederland groeien, aldus Rob Chrispijn in zijn vrolijke boek Paddenstoelengeluk, meer soorten dan je bij leven ooit zult kunnen aanschouwen: wel vijfduizend.

‘Wie geïnteresseerd raakt in paddenstoelen, hoeft zich nooit te vervelen!’ schrijft Chrispijn. Eerder maakte hij overzichtswerken over paddenstoelen in Drenthe en Amsterdam, dit keer gaat het hem er om ‘het enorme plezier’ te laten zien dat je aan paddenstoelen kunt beleven. Daar slaagt hij heel aardig in. Paddenstoelengeluk doet denken aan Hans Dorrestijns Vogelgids, maar is helaas veel minder mooi uitgegeven. Bij Dorrestijn staat langs elke pagina een kolom met foto’s van de vogels die hij noemt. Dat ontbreekt hier, er zijn slechts twee fotokaternen. Het vergt een hoop heen en weer-geblader en dan nog vind je vaak niet de soort waarover je las.

Gelukkig kan Chrispijn, die naast paddenstoelendeskundige tekstschrijver is, wel beeldend schrijven. Hij vertelt hoe hij als beginner met een gids met negenhonderd foto’s hoopvol ging zitten bladeren naast een paddenstoel, om vervolgens helder uit te leggen dat dit geen handige manier van determineren is. Hij vertelt welke soorten paddenstoelen er zijn, met buisjes of sporen bijvoorbeeld, waar welke paddenstoel groeit en waarom. Zijn uitleg, kort, ter zake kundig, wordt afgewisseld door joligheid. ‘Ik ben in het paradijs geweest!’ schrijft hij. ‘Niet tijdens een bijnadoodervaring, maar gewoon op een donderdag [...] in Drenthe.’ Droevige dingen staan ook in het boek, zoals wat de zure regen aanrichtte, of kunstmest, maar de toon blijft monter.

Dit is ook het geval bij het veel mooier uitgegeven De weg terug naar het leven van Long Litt Woon. In weerwil van de zwaarwichtige titel is dit een ontiegelijk leuk, meeslepend boek. Net als Chrispijn gaat Long in op de sprookjesachtige zwammenwereld: mensen begrepen lang niet wat ze zagen. Linnaeus (1708-1778), de vader van de moderne taxonomie, begreep er zelfs zo weinig van dat hij paddenstoelen onderbracht in de categorie ‘Chaos’. Net als Chrispijn vergelijkt Long paddenstoelen met appels. Het zijn vruchten. De bijbehorende ‘boom’ zit ondergronds.

Longs boek is duidelijker dan Chrispijns. Op uitleg volgt vaak direct een foto en er zit, anders dan in Paddenstoelengeluk, een register in. Longs stijl is soepel. Zij beschrijft zinnelijk hoe paddenstoelen ruiken, naar ‘bittere amandelen’ of ‘nat meel’, en zelfs hoe ze klínken, als je ze afbreekt. Als antropoloog heeft zij bovendien een goed oog voor bijzonder gedrag van mensen, dus vertelt ze ook vermakelijk over hoe het er in het kennerswereldje aan toegaat. Ze spaart zichzelf daarbij niet. Boeiend is ook de uitleg over landsverschillen. Een paddenstoel die hier als giftig bekend staat, wordt dikwijls over de grens gretig verschalkt.

Dode dakloze

Meer nog dan Chrispijn vermengt Long haar kennisoverdracht met anekdotes. Zo heeft een vriend van haar op enig moment eekhoorntjesbrood gevonden. Hij dekt de paddenstoelen toe met blaadjes, opdat ze nog even door kunnen groeien. Na een dag of twee gaat hij terug, gewapend met mandje en mesje. Er blijkt een zwerver bovenop te liggen: ‘Je zou denken dat dat het ergste is wat een enthousiaste paddenstoelenjager kan overkomen, maar nee. De man was ook nog eens zo dood als een pier.’

Lees ook: Wat doen paddo’s in je hersenen?

Long plukt, anders dan Chrispijn, paddenstoelen om ze op te eten. Ze schrijft bijvoorbeeld over de kegelmorielje zó verlekkerd, dat het water je in de mond loopt. Haar boek eindigt met wat recepten. Onhandig is dat zij in Noorwegen woont, waardoor het boek helaas niet zo toepasbaar is in Nederland: cantharellen tieren daar bijvoorbeeld nog welig, hier niet.

Verwonderlijk is dat De weg terug naar het leven naast een boek vol vreugdevolle paddopraat ook een boek is over rouw. Longs man ging ineens dood. De gedeeltes daarover staan in een anders gekleurd lettertje tussen de paddenstoelenavonturen door. Ze hangen er in zoverre mee samen dat juist haar interesse in paddenstoelen haar redde uit de poel van verdriet waarin ze dreigde weg te zinken. Zelf vindt ze dat, en dat beschrijft ze heel innemend en overtuigend, ook een grote verrassing.

    • Judith Eiselin