Opinie

    • Maarten Schinkel

Krimpt de Duitse economie nu al?

Hangt er een donkere wolk boven het noorden van de eurozone? We worden nu al geruime tijd gewezen op de mogelijkheid dat we het mooiste van deze economische cyclus spoedig achter de rug hebben. Risico’s te over. Een uit de hand lopend handelsconflict tussen de VS en China, bijvoorbeeld. Italië dat de eurozone verscheurt. Schulden in de opkomende markten. Of het wederom oprukken in het Westen van leningen zonder vragen te stellen (‘covenant-lite’, leveraged loans, bijbehorende derivaten). Of de wankelende beurskoersen. De lijst met risico’s is lang, en groeit. Maar, als er een omslag komt, hoe dan en wanneer?

Recessies zijn uitermate moeilijk te voorspellen. Zoals het trouwens ook lastig is om te voorspellen dat er niets gebeurt. De beurskrach van 1987 ging achteraf bezien snel en probleemloos voorbij. Het zou nog twee jaar duren voor er in de Verenigde Staten het begin van een recessie kwam. En door de Duitse eenwording in 1989, vond de omslag in Europa zelfs nog later plaats. De Azië-crisis van 1997-1998 had, anders dan gevreesd, weinig tot geen invloed op de economie in Europa en de VS.

Andersom had vrijwel niemand een idee hoe erg de Lehman-crisis zou worden. En zeer beroemd is het citaat van de vermaarde econoom Irving Fisher, die in de zomer van 1929 stelde dat de aandelenkoersen een ‘permanent hoog plateau’ hadden bereikt.

Misschien is er op dit moment een klein glimpje waar te nemen. Dinsdag gebeurde er namelijk iets bijzonders. Eurostat, het statistische bureau van de EU, publiceerde zijn eerste schatting van de economische groei in de eurozone voor het derde kwartaal. Het resultaat: een zeer magere groei van het bruto binnenlands product met 0,2 procent ten opzichte van het tweede kwartaal.

Tegelijkertijd kwamen veel afzonderlijke landen van de eurozone met hun eigen, eerste, nationale schatting. Italië viel bar tegen, met een groei van 0 procent. België rapporteerde een redelijke 0,4 procent. Frankrijk eveneens. Oostenrijk publiceerde een groei van 0,5 procent en Spanje zelfs 0,6 procent.

De rest van de eurolanden publiceerde nog niet. Nederland en Duitsland, de twee grootsten van de overgebleven landen, doen dat pas op 14 november. Dat wordt bijzonder interessant. Want wie de groei van de wél rapporterende eurolanden (ruim 53 procent van de eurozone) verrekent met de gepubliceerde groei van de eurozone als geheel, zal constateren dat er voor de rest (47 procent) kennelijk bitter weinig groei overblijft. Zo’n 0,05 procent.

De twee grootste leden van deze groep met de nog onbekende groei zijn Duitsland (29,3 procent van de economie van de eurozone) en Nederland (6,6 procent). Stel, voor de vorm, dat Nederland er over het derde kwartaal een wat teleurstellende kwartaalgroei van 0,3 procent uit perst. Dan blijft er voor Duitsland en de rest helemaal geen groei meer over. En als de naast Nederland belangrijkste resterende landen (Finland, Griekenland, Ierland en Portugal) eveneens 0,3 procent blijken te zijn gegroeid, dan resteert er voor het overgebleven Duitsland een opmerkelijk scenario: een economische krimp in het derde kwartaal. Dat zou een schok zijn.

Het is natuurlijk mogelijk dat Eurostat er met zijn prognose voor de gehele eurozone finaal naast zit. Het kan, in theorie, ook zijn dat alle groeicijfers hierboven ongunstig waren afgerond. Maar zelfs dan zal, een dag nadat Bondskanselier Merkel haar vertrek uit de politiek in gang zette, dinsdag de dag geweest zijn waarop de Duitse motor voor het eerst bleek te haperen. Toch nog onverwacht, zoals dat heet.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.
    • Maarten Schinkel