Recensie

In de baarmoeder van de mensheid

Frank Westerman Samen met een groep studenten onderneemt schrijver Frank Westerman een ambitieuze zoektocht naar de oorsprong van de mens. Maar of hij daarin slaagt?

Kopie van de schedel van de Pithecanthropus die Eugène Dubois in 1892 op Java vond Foto Getty Images, bewerking NRC

Zo’n twintig jaar na het verschijnen van The Origin of Species (1859) besluit een apothekerszoon uit Eijsden zijn katholieke milieu in te ruilen voor een zoektocht naar de missing link. Tussen aap en mens moet een tussenvorm hebben bestaan, dacht Eugène Dubois, en hij neemt zich voor om aan te tonen dat de mens niet is geschapen, maar ontstaan.

Als KNIL-arts laat Dubois zich in 1887 inschepen naar Nederlands-Indië, waar hij na een paar opmerkelijke vondsten de ruimte van zijn meerderen krijgt om zich geheel op zijn hominidenjacht te storten. In 1892 vindt hij op Java een stukje schedel van een aapachtige die rechtop moet hebben gelopen. Dubois doopt de drager van de schedel, zijn missing link, Pithecanthropus erectus (de rechtop lopende aapmens).

Terug in Europa wordt zijn vondst met scepsis ontvangen. Dubois sluit zich de rest van zijn leven op met zijn botten, geplaagd door paranoia. Inmiddels wordt Dubois beschouwd als de grondlegger van de paleoantropologie, en zijn Javaanse aapmens, nu gedetermineerd als Homo erectus, waarschijnlijk een paar honderdduizend jaar geleden uitgestorven, wordt als cruciale schakel in het ontstaan van Homo sapiens gezien.

Mensje van een meter

In zijn boek Wij, de mens zoekt Frank Westerman als een Dubois, maar dan uitgerust met pen en papier in plaats van spa en kwast, naar de oorsprong van Homo sapiens om daaruit te kunnen opmaken wat voor wezens wij eigenlijk zijn, en waarin wij ons al dan niet onderscheiden van onze verre voorouders. Westermans zoektocht begint in een zaaltje van de Leidse Universiteit, waar hij in het najaar van 2016 gastschrijver is. Met zijn studenten brengt hij in kaart welke mensachtigen er zoal zijn ontdekt, en waar, en wie de vinders zijn.

Hij neemt zijn studenten mee naar Limburg, waarvandaan behalve Dubois ook de Nederlandse missiepater Theodor Verhoeven naar Indonesië vertrok om halverwege de twintigste eeuw in een grot op Flores de fossiele resten van een dwergolifant te vinden. Later werden in diezelfde grot op Flores, Liang Bua, ook de beenderen van Homo floresiensis ontdekt, een mensje van een meter groot. Deze Floresmens is vermoedelijk een verdwergde Homo erectus. Wonderlijk hoe weinig lineair de evolutie van de mensachtigen is verlopen, voordat die voorlopig uitmondde bij de voltreffer – of plaag – die Homo sapiens is.

De stamboom van de hominiden is wijd vertakt, en zo ook de sporen die Westerman (1964) en zijn studenten volgen. Dat Westerman alle mogelijke aanknopingspunten opneemt in zijn boek, draagt niet bij aan de leesbaarheid ervan. Wij, de mens wemelt van de botresten en hun vinders, vindplaats en -datum. Ook speculeert Westerman uitvoerig over mogelijk uniek menselijke wezenskenmerken, waarvan hij de dierlijke equivalenten opmerkelijk genoeg volledig buiten beschouwing laat. Zoals daar zijn: schaamte, zorg voor zwakken en zieken, herinnering. Dan lijken de destructieve neigingen van Homo sapiens, die Westerman ook noemt, typischer voor de mens: de waterstofbom, zelfverminking, gokken en verkwisting.

In een adembenemende proloog (de eindopdracht die Westerman zijn studenten gaf was ook: schrijf een proloog) vertelt Westerman het verhaal van de Cessna Skyhawk die in 2012 neerstortte ten noorden van Ouddorp. Want waar volgens de verouderde kaart zee had moeten zijn, was sinds de aanleg van de tweede Maasvlakte land, en waar de piloot onder de dichte mist water vermoedde, was inmiddels even Hollandse als fatale bodem. Wat is de mens voor een vreemd ondernemend en hoogmoedig wezen, spreekt uit die proloog, dat het nodig vindt zich vleugels aan te meten en zee droog te leggen, in plaats van genoegen te nemen met wat de natuur ons te bieden heeft zoals de rest van het dierenrijk.

Gracieus te pletter

Die vraag naar het wezen van de mens te willen beantwoorden is een bijna een even ambitieuze en fascinerende exercitie als het bouwen van een eerste vliegtuig, en het verrast dan ook niet dat Westerman in zijn streven gracieus te pletter slaat. Met zijn gepolijste proza voert Westerman de lezer mee in zijn zoektocht naar wat ons mens maakt, maar hij zelf lijkt halverwege het boek niet meer te weten of het antwoord nu in die schedels besloten ligt, of toch in de drijfveren van hun vinders, of in recenter begraven botten, namelijk die in de massagraven van de anticommunistische zuiveringen in het Indonesië van de jaren zestig.

Lees ook: Hoe onze voorouders zich vertakten en mengden in Afrika

Veel van die uitwaaierende verhaallijnen maken wel indruk. In de grot Scladina in de Ardennen, waar in de jaren negentig de overblijfselen van een Neanderthaler kind zijn gevonden, ontmoet Frank Westerman een excentrieke onderzoeker van de Universiteit van Luik die de ene na de andere oneliner opdist: ‘Grotten zijn de baarmoeder van de mensheid.’ In een stationscafé spreekt Westerman met een oud-leerling van pater Verhoeven die een schat aan informatie over diens biografie blijkt te bezitten.

Naast paleoantropologen en missionarissen is er ook nog een bijrol voor de baggeraars van Van Oord die jaarlijks de stranden van Lincolnshire opspuiten, de tweede Maasvlakte drooglegden en de Solo-delta ontgonnen. Met de tonnen zand en klei die zij van de zeebodem opzuigen, worden fossielen zo uit hun prehistorische aardlaag op de stranden van nu gespoten. Op het strand van Maasvlakte 2 vindt Westerman een kies van een uitgestorven steppepaard, tussen 40.000 en 10.000 jaar oud.

Geleidelijke evolutie

In Wij, de mens balt Frank Westerman thema’s samen die al in zijn eerdere boeken aan bod kwamen – wetenschap en religie (Ararat), menselijke beheersdrang (Dier, bovendier), het verhaal als kroon op het mens-zijn (Een woord een woord). Zijn zoektocht is die van een verhalenverteller die het schone en het menselijke wil veilig stellen in een wereld van wetenschappers die de grens tussen mens en dier niet zo straf willen trekken als Westerman, en in alles geleidelijke evolutie zien. Er is geen ontbrekende schakel, er zijn alleen tussenvormen, we zijn allemaal missing links in de onvermijdelijke evolutie naar weer een andere mensensoort.

De Duitse zoöloog Karl Vogt, die een inspiratiebron was voor Dubois, kreeg eind 19de eeuw in Aken vanwege zijn nieuwerwetse ideeën te horen: ‘Hebben apen een kerk? Hebben apen bibliotheken?’ Hebben apen een Frank Westerman? Zolang het antwoord nog nee lijkt te zijn, kunnen in ieder geval de bibliofielen onder ons zich zachtjes op de borst kloppen.

In een eerdere versie van dit artikel stond: ‘het Zeeuwse Ouddorp’; dat is onjuist: Ouddorp ligt op Goeree-Overflakkee in Zuid-Holland.

    • Nynke van Verschuer