Foto David van Dam

‘Ik werd als een verdachte behandeld’

WODC-affaire Marianne van Ooyen moest onderzoek wijzigen onder druk van het ministerie. Ze verzette zich en betaalde daarvoor een hoge prijs. Haar advies: „Laat de misstand voortbestaan. De gevolgen voor jezelf zijn gewoon te groot, terwijl er niets verandert.”

Het voelt alsof ze weer in dezelfde boze droom terecht is gekomen, zegt Marianne van Ooyen. Ze slaapt slecht en zit urenlang aan haar eettafel, achter dezelfde stapels uitgeprinte mails, conceptrapporten, transcripten en documenten. Er is één verschil: „Deze keer is het nog erger.”

Ze heeft de papieren opnieuw tevoorschijn gehaald, omdat haar geschiedenis met het ministerie van Justitie en Veiligheid is opgerakeld. Van Ooyen, een gevierd onderzoeker van het Nederlands drugsbeleid, meldde in 2014 bij het departement dat ambtenaren voortdurend probeerden haar wetenschappelijke conclusies om te buigen. Die melding lekte uit, waarna zij het middelpunt werd van een rel over politieke bemoeienis met onafhankelijk onderzoek.

Ze is inmiddels anderhalf jaar met pensioen en had het verwerkt, maar de pijnlijke herinneringen aan die jaren zijn helemaal terug.

Woensdag werd het rapport ‘Betrouwbaar onderzoek’ gepresenteerd. Dat gaat over haar klachten en is opgesteld door een commissie onder leiding van fiscalist en voormalig vicepresident van de Hoge Raad Jacques Overgaauw. Volgens hem is er in wezen weinig aan de hand: er zijn weliswaar „niet behoorlijke” pogingen gedaan om Van Ooyens onderzoek te manipuleren, maar die mislukten – aldus Overgaauw. Nog een conclusie: per saldo zijn Van Ooyens rapporten opgeknapt door de bemoeienis van topambtenaren.

„Bij zoveel oneerlijkheid kan ik me niet neerleggen,” zegt ze. „Dit voelt als een trap na, voor het oog van heel Nederland.” En dus meldt Marianne van Ooyen, „klokkenluider tegen wil en dank”, zich nog één keer. Daarna, zegt zij, is het welletjes. „Ik wil met mijn hoofd bij mijn kleinkinderen zijn, samen met mijn man die mij altijd heeft gesteund. En niet bij al die commissies. Het is het enorm frustrerend om als klokkenluider zo weinig serieus genomen te worden.”

Nerd met een missie

Van Ooyen formuleert zorgvuldig, terwijl haar man koffie schenkt. Een nerd met een missie, noemt ze zichzelf. Ze koos begin jaren tachtig bewust voor een loopbaan als beleidsonderzoeker bij het WODC, het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, en niet voor een universitaire carrière.

Bij het WODC, een onafhankelijke onderzoeksinstituut dat valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid, vond ze gelijkgestemden. Het doel van de WODC-onderzoekers: op basis van objectieve, wetenschappelijke argumenten het overheidsbeleid verbeteren. In haar geval het drugsbeleid, waarover in binnen- en buitenland altijd veel te doen was.

Met een onderbreking werkte Van Ooyen tot haar pensionering in april 2017 bij het WODC. Ze is auteur van meer dan 150 wetenschappelijke publicaties en 100 presentaties over het Nederlandse drugsbeleid. Wat zij schreef en vertelde gold jarenlang als de objectieve, wetenschappelijke werkelijkheid, een feitelijke basis voor politieke discussies.

Zo bekend als Van Ooyen was onder drugsonderzoekers, zo onbekend was zij daarbuiten. Tot 6 december 2017. Tv-programma Nieuwsuur meldt die avond dat het ministerie van Justitie en Veiligheid jarenlang publicaties van het WODC over het softdrugsbeleid heeft bijgestuurd. Bron van dit nieuws: een klachtenbrief die Van Ooyen in 2014 naar de vertrouwenspersoon van het ministerie heeft gestuurd.

Grote gevolgen

Het nieuws heeft grote gevolgen op het door schandalen geplaagde departement. Ferdinand Grapperhaus (CDA), dan net minister, moet door het stof en stelt niet één, maar drie onafhankelijke commissies in om uit te zoeken wat er mis ging.

Lees ook: De eenzame strijd van een klokkenluider bij Justitie

In juni van dit jaar concludeert de eerste commissie dat Van Ooyen alle reden had om te klagen. Ze had een redelijk vermoeden van een misstand, meldde die volgens de regels bij haar direct leidinggevenden en uiteindelijk bij de hoogste ambtenaar van het ministerie. Maar haar klacht – en zijzelf – werden onzorgvuldig behandeld.

Maar de volgende commissie, die van Overgaauw, sloeg een heel andere toon aan. Ze heeft diens oordeel dat er weinig aan de hand was, vanaf het eerste gesprek zien aankomen.

Van Ooyen: „Ik ben tussen 2012 en 2014 door de directeur van het WODC en door topambtenaren van het ministerie onder enorme druk gezet om politiek onwelgevallige delen van mijn drugsonderzoek weg te masseren. En de commissie-Overgaauw doet het opnieuw. Die begrijpt die beleidsambtenaren wel.”

Bij de commissieleden op gesprek, zo voelde Van Ooyen direct, was zij degene die iets had uit te leggen. „Ik werd behandeld als verdachte”, zegt ze. „Niet het ministerie, maar ik zou iets onbehoorlijks hebben gedaan. Wetenschappelijke en onderzoekmatige argumenten telden nauwelijks. En uiteindelijk heeft een ghostwriter , een ingehuurde hoogleraar, het rapport geschreven.”

Ze bladert door het transcript van haar gesprek met de commissie. „Kijk, hier vraagt een commissielid waarom ik een citaat gebruik waar ‘het departement zich kapot aan ergert’.” Twee pagina’s verder: „Hier zegt een commissielid dat het ‘natuurlijk verschrikkelijk voor een minister’ is als een onderzoek uitwijst dat zijn beleid niet effectief is. En vraagt hij zich af waarom ik geen zinnetje aan het rapport kon toevoegen om de minister ‘comfort te bieden’.”

Van Ooyen heeft er nooit om gevraagd een landelijk bekend klokkenluider te worden. Haar klachtenbrief uit 2014 belandde buiten haar medeweten om bij Nieuwsuur, waarna ze uiteindelijk besloot mee te werken aan een uitzending.

„Ik deed dat in de hoop dat dit de relatie tussen het WODC en het ministerie zuiverder zou maken. Wetenschappelijk onderzoek dient de waarheidsvinding, niet het ondersteunen van een ministerie. Beleidsonderzoek verwordt zo tot een makkelijke onderbouwing van politiek gemotiveerde keuzes. Maar mijn hoop is vervlogen.”

Ellende begon met de wietpas

Van Ooyens worsteling begon in mei 2012, toen minister Opstelten de wietpas voor coffeeshops invoerde. Kern van dat beleid: alleen geregistreerde klanten mochten softdrugs kopen, de pas werd niet aan buitenlandse toeristen verstrekt. Het was een omstreden verandering in het Nederlandse gedoogbeleid.

Opstelten beloofde de Tweede Kamer dat hij de (neven)effecten van het beleid zou laten evalueren. Van Ooyen was als drugsexpert van het WODC de aangewezen vrouw om dit onderzoek uit te voeren.

Zij zette uitgebreide interviews met betrokkenen bij 15 coffeeshopgemeenten uit en kreeg allerhande kritiek op de wietpas terug. Geïnterviewde gemeente-ambtenaren vonden dat het beleid een oplossing was „voor een niet bestaand probleem”, hadden nauwelijks last van drugstoerisme of vonden dat de wietpas hun problemen vergrootte in plaats van oploste.

Dat was relevante informatie voor Kamer én ministerie, zou je zeggen. Maar beleidsambtenaren dachten daar heel anders over, vertelt Van Ooyen. Steeds weer werd haar gevraagd of ze de kritische geluiden niet kon afzwakken of weglaten, het waren immers maar meningen van gemeenten.

Van Ooyen schoof op, zegt ze: „Mijn ruggegraat boog. Ik ben steeds weer teruggegaan naar de interviews om te kijken of wat het ministerie wilde, daarmee te verenigen was. Als het kon, paste ik de tekst aan, al ben ik nooit verder gegaan dan dat mijn data toelieten.” De druppel was dat de beleidsafdeling vond dat het hele hoofdstuk met kritiek van de gemeenten wel kon vervallen. Dat weigerde ze, net als het aanpassen van de samenvatting.

De commissie-Overgaauw baseert haar oordeel op honderden e-mails. Maar ze werd juist vaak in gesprekken onder druk gezet, zegt Van Ooyen. „En dat heeft Overgaauw niet meegewogen.”

Toch zijn er ook mails waaruit de drijfveren van justitie-ambtenaren om zich met haar onderzoek te bemoeien duidelijk worden. Kijk deze, zegt ze. „Hier mailt een topambtenaar mij: ‘Omdat dit dossier zó politiek gevoelig is [...] ben ik zeer bevreesd dat, als dit rapport zo blijft, wij onnodig en heel snel in de verdediging moeten. Dan zal de minister zeker in de Tweede Kamer moeten gaan uitleggen wat er precies is bedoeld en hoe het zat’.”

Een andere bericht van een ambtenaar aan Van Ooyen: „Er moet wel sturing opzitten. [...] Het moet niet zo zijn dat er ineens iets totaal anders uitkomt dan tot nu toe gecommuniceerd aan de Tweede Kamer.”

Van Ooyen: „Wat moet ik er nog meer over zeggen? Overgaauw concludeert dat mijn rapporten goed zijn omdat ik uiteindelijk niet ben bezweken onder alle druk. Dat is mijn verdienste, niet die van het ministerie. Maar dat lees ik nergens terug. Wat mij betreft is dit rapport een vrijbrief en legitimatie voor het ministerie om zich te blijven bemoeien met WODC-onderzoeken.”

Duitse Schlagers

Het meest teleurgesteld is Van Ooyen nog over haar eigen directeur Frans Leeuw. Maatjes waren ze de eerste jaren bij het WODC, de twee naar Den Haag geëmigreerde Limburgers. Ze zongen samen Duitse Schlagers, publiceerden samen belangrijke onderzoeken. Leeuw droeg haar zelfs voor als hoofddocent van een opleiding tot beleidsonderzoeker, zo goed vond hij haar.

Maar toen het ministerie onder Opstelten steeds gevoeliger werd voor politieke risico’s, koos Leeuw steeds vaker partij, zegt Van Ooyen. Voor het politieke belang van de minister en tegen haar, ook al zei hij dat hij het met haar wetenschappelijk argumenten wel eens was. Steeds heftiger werden hun aanvaringen, over meebewegen met het ministerie, het aanbesteden van opdrachtonderzoek, de rol van de begeleidingscommissie.

Leeuws optreden paste niet bij dat van een directeur, luidde het oordeel van het eerste onderzoek naar de affaire. Hij stapte op, maar is nog vaak op het WODC te vinden, alsof er niets is gebeurd.

Maar Van Ooyen is er persona non grata geworden, zegt ze. De meeste oud-collega’s hebben nooit meer contact opgenomen. Een man met wie ze jarenlang op één gang zat en goed kon opschieten, mailde haar opeens als ‘u’. En van de direct betrokkenen op het ministerie heeft ze nooit meer iets gehoord, laat staan excuses gekregen.

Lees meer over de botsing tussen WODC-directeur Frans Leeuw en zijn personeel

Marianne van Ooyen heeft lang nagedacht over de WODC-affaire. Tegen een heel ministerie, weet ze nu, kan één mens niet op. „Als je een misstand ziet, moet je die niet melden,” zegt ze. „Ik weet dat er ook andere voorvallen van beleidsbeïnvloeding zijn geweest, gesteund door de leiding van het WODC. Maar ik raad mensen die daarvan weten af om hiermee naar buiten te treden.”

Haar advies: „Doe mee met wat de leiding en de beleidsmakers willen, of zoek een andere baan. Laat de misstand lekker voortbestaan. De gevolgen voor jezelf zijn gewoon te groot, terwijl er niets verandert.”

Reageren? Onderzoek@nrc.nl
    • Merijn Rengers
    • Derk Stokmans