Het Paard van Noord staat eindelijk weer

Hijskraan

Het Paard werd vanaf de jaren 60 gebruikt voor de productie van beton. Nu staat de hijskraan weer op zijn oude plek: als icoon.

De oude hijskraan, ook wel het Paard van Noord genoemd, staat sinds kort weer overeind op zijn oude plek langs het Zijkanaal I in Amsterdam-Noord. Foto Bas Kok

De grijze hijskraan die boven het Zijkanaal I uitsteekt, is niet makkelijk te bereiken. Aan beide kanten is de kade in Amsterdam-Noord met hekken afgesloten voor verkeer. Nieuwbouwwijk De Bongerd is nog volop in aanbouw. Het voetbalveldje naast de kraan wordt geflankeerd door braakliggend terrein.

Zestig jaar oud en meer dan veertig meter hoog. Sinds kort staat het Paard van Noord weer op zijn oorspronkelijke plek. „Omdat hij zo veel deed werd het ook een werkpaard genoemd. Omdat de hijskraan nooit stilstond”, licht buurtbewoner Bas Kok onderaan het stalen object toe.

Voor 275.000 euro werd de hijskraan gerestaureerd. Foto Bas Kok

Volgens Kok, die een boek schreef over de geschiedenis van Noord, is de kraan „een icoon van industriële historie” die beschermd dient te worden. Het kan een nieuwe wijk zonder eigen karakter een identiteit geven, stelt hij.

Wegroesten

Zelf kent Kok de hijskraan uit zijn jeugd. Hij kwam als jochie van 10 in 1976 in de Banne Buiksloot iets verderop te wonen, en weet nog hoe de hijskraan boven de vroegere betonfabriek uitstak. Toen de schrijver in 2012 in De Bongerd ging wonen, zag hij echter dat de kraan langs de kade aan het wegroesten was.

De gemeente was oorspronkelijk van plan geweest de kraan terug te plaatsen, maar dat was nooit gebeurd. Kok hoorde dat de kraan mogelijk toch op een schroothoop zou eindigen. Dat wilde hij niet laten gebeuren. Met een groep omwonenden richtte hij de Vereniging Paard van Noord op. De buurt begon een campagne om de hijskraan terug te plaatsen: website, social media, een YouTube-filmpje.

Daar was wel geld voor nodig. De kraan moest worden gerestaureerd, er moesten vier steunpalen geplaatst worden waarvan twee in het kanaal – zonder bij het heien kabels te raken – en houten aanvaarbescherming in het water was nodig voor de vaart. „Het heeft geen enkele commerciële functie. Als een kraan een hotel wordt zoals op het NDSM-terrein, dan rendeert het. Maar dit is bedoeld als icoon, dat is best lastig.”

Het Paard staat symbool voor de Amsterdamse uitbreidingen vanaf de jaren zestig

Stadsdeel Noord investeerde 260.000 euro. Daarnaast werd 18.000 euro bijgedragen door het Prins Bernhard Cultuurfonds en de oorspronkelijke bouwer van de kraan: PM Wiener Duyvis en Smits Bouwbedrijf. Het bedrijf leverde ook materiaal en uren om het Paard terug te plaatsen.

Archiefbeeld van de kraan aan het werk voor de betoncentrale Foto www.dvanbaarsen.nl

De geklonken hijskraan werd gebouwd eind jaren 50 en ging vanaf 1969 op zijn huidige plek draaien voor de familie Van Baarsen, die langs het water de grootste betoncentrale van Amsterdam had. Het Paard sloeg zand en grind over vanuit vrachtschepen naar de bulk van de centrale. Het beton werd geleverd voor nieuwbouwwijken als Banne Buiksloot, Nieuwendam-Noord en Geuzenveld, maar ook voor land+++ingsbanen van Schiphol. Dat maakt de kraan volgens Kok ook zo bijzonder: het Paard staat symbool voor de Amsterdamse uitbreidingen vanaf de jaren 60.

De betoncentrale, rond 1980 overgenomen door betonbedrijf Mebin, moest uiteindelijk zelf ook ruimte maken voor nieuwbouwwijken en werd in 2008 gesloten. De kraan werd gekocht door de gemeente en in onderdelen langs de kade neergelegd.

Inmiddels is De Bongerd voor een aanzienlijk deel bebouwd en bewoond. Op het braakliggend gebied waar ooit bulken zand en grind lagen, komen appartementen. Er liggen nieuwe bruggen naar de wijken Kadoelen en Banne Buiksloot, aan de overkant van het kanaal.

De toren is vastgezet en kan niet meer draaien, klimmen in het Paard mag niet. Maar rondom de kraan worden buurtborrels en voetbaltoernooien gehouden. „Deze plek moet nog wel wakker gekust worden”, zegt Kok. „Uiteindelijk moet de kraan mensen met elkaar in verbinding brengen.”

    • Christiaan Paauwe