Recensie

Honderd procent man, hetero en voetbalsupporter: lekker makkelijk

Identiteitspolitiek

Het ‘Orakel van het Westen’ Francis Fukuyama en politiek filosoof Kwame Anthony Appiah nemen de identiteitspolitiek onder vuur en doen aanbevelingen om uit de loopgraven van de identiteitsoorlog te komen. ‘Wij mensen zijn clannish en hangen van nature liever rond met mensen die op ons lijken. ’

Politiek filosoof Kwame Anthony Appiah (l) en politicoloog Francis Fukuyama (r).

Triomfantelijk kwam de Amerikaanse senator Elizabeth Warren deze zomer met het bewijs in de vorm van een genetische test. Ze is van native American komaf! Nou ja, voor een klein deel dan: zes tot tien generaties geleden had ze een voorouder die afstamde van de oorspronkelijke Amerikaanse bevolking.

Fout!, zou Francis Fukuyama zeggen. Volgens de 65-jarige politicoloog zou links zich niet zo moeten bezighouden met identiteit, en zich in plaats daarvan moeten richten op sociaal-economische thema’s. Een bekende analyse inmiddels: na de verkiezing van Trump verschenen diverse boeken die links op vergelijkbare wijze beschuldigden. Denk bijvoorbeeld aan Mark Lilla’s The Once and Future Liberal en Thomas Franks Listen Liberal.

Maar goed, nu is het Fukuyama die het schrijft: het Orakel van het Westen dat in 1989 het einde van de geschiedenis uitriep. Hoe zit het daar trouwens mee?

In het artikel ‘The End of History’, in 1992 gevolgd door het boek The End of History and the Last Man, schreef de toen nog jonge Fukuyama dat de liberale democratie het eindpunt was van een dialectische ontwikkeling in de richting van de beste staatsvorm. Fukuyama’s bekende werk wordt nog steeds gebruikt om de tijdgeest van rond 1990 te duiden: ‘Val van de Muur, einde van de geschiedenis, weetjewel.’

Maar wat blijkt: de geschiedenis is niet ten einde. Dat schrijft Fukuyama nu in Identity. Contemporary Identity Politics and the Struggle for Recognition. Identiteitspolitiek aan zowel de linker- als de rechterkant van het politieke spectrum zorgt ervoor dat de liberale democratie onder druk staat.

Dat lijkt inconsequent, maar is het niet, benadrukt Fukuyama in de inleiding. Mensen vragen hem vaak hoe het nou zit met dat einde van de geschiedenis, en dan wijst hij erop dat hij in de laatste hoofdstukken van The End of History and the Last Man een voorbehoud had ingebouwd.

Inderdaad zijn die laatste hoofdstukken minder stellig dan de titel suggereert. Daarin beschreef Fukuyama het belang van thymos, oftewel het deel van de ziel dat zoekt naar erkenning. De term komt van Socrates, die hem introduceerde in De Republiek. Maar voor zijn analyse van het einde van de geschiedenis baseerde Fukuyama zich op Hegel, of om precies te zijn op de interpretatie van Hegel door de Russisch-Franse politiek filosoof Alexandre Kojève. De zoektocht naar erkenning was volgens Hegel een drijvende kracht in de geschiedenis. Kojève schreef dat de liberale democratie dat verlangen eindelijk zou inlossen, omdat het als enige staatsvorm die erkenning (in de vorm van individuele rechten) aan alle ingezetenen zou uitdelen. Dat betekende dat de geschiedenis met het bereiken van de liberale democratie ten einde zou zijn.

Fukuyama nam deze analyse over, maar hij gaf aan het einde van het boek ook een waarschuwing. Onderdelen van de thymos, zo schreef hij, zijn isothymia (het verlangen als gelijke te worden erkend) en megalothymia (het verlangen als superieur te worden erkend). In navolging van Nietzsche vroeg hij zich af of de mens aan het einde van de geschiedenis, ‘de Laatste Mens’, wel zonder megalothymia kon: deze vorm van thymos zorgde immers voor strijd en passie. Fukuyama vreesde dat Nietzsche gelijk zou krijgen: ‘Mensen zullen het leven van meesterloze slavernij – het leven van de rationele consumptie – uiteindelijk saai vinden. Ze zullen idealen willen hebben om voor te leven en te sterven. Dit is de tegenstelling die de liberale democratie nog niet heeft opgelost.’

Hegeliaanse dingetjes

Inmiddels is het 26 jaar later en saai wil het maar niet worden in de liberale democratie. Klopt, zegt Fukuyama. En tóch had hij gelijk. Om dit waar te maken herverpakt hij het begrip thymos vernuftig in zijn nieuwe boek. De meester-slaafdialectiek en al die andere Hegeliaanse dingetjes zijn uit het raam gemieterd en vervangen door een relaas over het belang van erkenning van iemands identiteit, gebaseerd op het werk van onder anderen politiek filosoof Charles Taylor.

In zijn nieuwe boek duidt Yale-historicus Timothy Snyder de opkomst van Poetin, Le Pen en Trump. Lees ook de recensie: Is dit het meest verontrustende boek van het jaar?

Het belang van erkenning wordt vaak onderschat, schrijft Fukuyama. We hebben wel veel aandacht voor de andere twee delen van de ziel – rede en verlangen – maar niet voor thymos. Identity zou je kunnen zien als een correctie hierop: werkelijk alles verklaart Fukuyama uit het menselijke verlangen naar erkenning. De Arabische Lente, Black Lives Matter, #MeToo, IS, de opkomst van Trump, Brexit, politieke correctheid op de campus, allemaal hebben ze te maken met thymos.

Het is een prikkelende analyse en een welkom tegenwicht aan het gangbare beeld van de mens als rationeel wezen. Maar je vraagt je ook af: als de zucht naar erkenning aan alles ten grondslag ligt, wat schieten we dan op met deze verklaring? In 1992 wilden mensen nog in een liberale democratie leven vanwege de erkenning, nu willen ze er met dezelfde drijfveer juist van weg. Of nou ja, sommigen dan, want voor #MeToo en Black Lives Matter gaat dit weer niet op.

Ambitie en gemakzucht

Fukuyama combineert in dit (dunne) boek op wonderlijke wijze ambitie en gemakzucht. Hij bespreekt een enorm scala aan thema’s zonder deze tour de force een heldere structuur te geven, waardoor je het gevoel krijgt met een nogal onvoorspelbare gids onderweg te zijn naar een onbekende bestemming. In hoofdstuk vier trekt Fukuyama bijvoorbeeld een sprint door de filosofie waarbij Socrates, Hobbes, Rousseau, Kant, Hegel en zelfs Martin Luther zo snel langsflitsen dat de leek beduusd zal achterblijven, en de expert zal vragen of dit niet een beetje kort door de bocht was.

Je zou willen dat Fukuyama z’n 06-nummer in het boek had gezet, zodat je hem af en toe kon vragen om opheldering.

Het helpt niet dat de analyse zelf niet kristalhelder is. Identiteit bestaat volgens Fukuyama uit drie delen: het onderscheid tussen ‘het innerlijke en uiterlijke zelf’, het concept van de menselijke waardigheid, en thymos. De vraag rijst: volgens wie is dit de definitie? Heeft Fukuyama dit zelf bedacht, of sluit hij zich aan bij de literatuur over identiteit en erkenning? En waarom introduceert hij in dit boek opnieuw isothymia en mega- lothymia, om die termen vervolgens niet uit te werken?

Ook over de opkomst van radicaal rechts is Fukuyama onduidelijk. Het ene moment geeft hij de politiek-correcte campuscultuur er de schuld van, even later schrijft hij dat de rechtse revolte het gevolg is van werkelijke problemen in de Amerikaanse witte middenklasse. Je zou willen dat Fukuyama z’n 06-nummer in het boek had gezet, zodat je hem af en toe kon vragen om opheldering.

Het is jammer, want er zitten veel interessante ideeën in het boek. Waarom heeft Fukuyama er niet langer de tijd voor genomen? Dan had hij alle draadjes aan elkaar kunnen knopen. Hij had dan ook met originelere aanbevelingen kunnen komen dan de versterking van de nationale identiteit die hij voorstelt.

Vriendelijk ontmantelen

Een meer doordacht verhaal over identiteit, maar wel van heel andere aard, vinden we in The Lies That Bind. Rethinking Identity van politiek filosoof Kwame Anthony Appiah. Ook hij grijpt in zijn werk terug op Charles Taylor én op Hegel, maar zijn nieuwe boek lijkt in bijna niets op dat van Fukuyama. Appiah wil de identiteiten waaraan mensen zich zo hechten vriendelijk ontmantelen, zonder te zeggen dat die gehechtheid iets achterlijks is.

Appiah schreef eerder al verschillende boeken over identiteit, waarin hij probeerde een midden te vinden tussen universalisme en lokale gebondenheid, en tussen individuele identiteit en groepsidentiteit. Dit nieuwe boek is een bundeling van lezingen die hij over het onderwerp gaf voor de BBC. Het is voor een groter publiek geschreven en daardoor zowel makkelijker als minder diepgravend dan zijn eerdere werk.

Kwame Anthony Appiah (62) verbaast zich over de etiketten die we anderen, onder wie Trump-kiezers, opplakken, maar hij blijft optimistisch. Lees ook het interview: ‘Wij hebben de politici die we verdienen’

Kenmerkend voor Appiahs schrijfstijl is een bepaalde empathie en hoffelijkheid, waardoor je je als lezer zowel serieus genomen als vertroeteld voelt. Veroordelen doet Appiah niet. Een neiging tot groepsvorming is menselijk, zegt hij bijvoorbeeld: wij mensen zijn clannish en hangen van nature liever rond met mensen die op ons lijken. Een opsteker voor Stef Blok.

Appiah noemde zich in een eerder boek een ‘gewortelde kosmopoliet’ en dat is hij nog steeds. Uit het hele boek blijkt dat hij hecht aan zijn achtergrond, die zowel ligt in de Engelse upper class als in de Ghanese elite. Tegelijk ziet hij, juist door zijn herkomst, hoezeer je je identiteit zelf vormgeeft. Als zwarte Britse Ghanees in Amerika, homoseksueel in een christelijke natie, weet hij hoe het voelt om een gefragmenteerde achtergrond te hebben, om soms tot de mainstream te behoren en dan weer tot de marge.

In het boek bespreekt Appiah vijf identiteiten, alle beginnend met een c: creed, country, color, class en culture, oftewel geloof, land, ras, klasse en cultuur. De boodschap is elke keer dezelfde: identiteiten zijn niet statisch. Appiah verzet zich tegen essentialisme, het idee dat elke categorie (zoals een land) een vaste kern bezit die de aard van al zijn onderdelen (de inwoners van dat land) bepaalt. Kijk bijvoorbeeld naar religie: bijna niets staat daarin vast. Voor de ene gelovige zijn de gebruiken (kleding, eetgewoonten) het belangrijkst, voor de andere het geloven zelf. Sommigen nemen religieuze teksten letterlijk, anderen geven er een eigen draai aan. Dezelfde nuanceringen brengt Appiah aan bij de andere c’s.

Het hoofdstuk over klasse was als enige geen lezing voor de BBC: Appiah schreef het achteraf, omdat klasse een ‘duidelijke afwezige’ was in de lezingen. Ja, denk je dan, maar is dat niet juist symbolisch voor hoe klasse, zoals Fukuyama ook schrijft, een duidelijke afwezige is in de identiteitspolitiek? Is het niet juist problematisch dat mensen zich niet meer over de grenzen van hun groep heen identificeren met mensen in dezelfde sociaal-economische positie? Op deze vraag gaat Appiah niet in, toch wel eigenaardig in deze politieke omstandigheden.

Honderd procent man, honderd procent hetero

Dat geldt eigenlijk voor het hele boek: het grijpt het politieke moment aan als aanleiding, om die politiek vervolgens bijna geheel te negeren. Onbevredigend is ook de aanbeveling die Appiah aan het einde van het boek kort doet, namelijk dat we de Griekse dichter Kavafis als voorbeeld zouden moeten nemen, of Italo Svevo.

Svevo, de negentiende-eeuwse schrijver uit Triëst, speelt de hoofdrol in het hoofdstuk over landen. Svevo had een dubbele achtergrond: zijn ouders waren Duits en Italiaans, net als zijn stad – Triëst was eerst deel van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, daarna van Italië. Ook wat religie betreft ontsnapte Svevo aan elke categorisering: hij was van huis uit Joods, bekeerd tot het katholicisme, maar eigenlijk atheïst.

De Franse auteur Didier Eribon keerde terug naar zijn wortels in Reims. Daar drong tot hem door dat de arbeidersklasse verraden was. Lees ook: Klasse is ook een identiteit

Svevo’s leven noemt Appiah een ‘dans met ambiguïteiten’, en idealiter zou elk leven dat moeten zijn. Maar niet iedereen gaat likkebaarden van ambiguïteit, dat zou Appiah toch moeten weten. Het is veel gemakkelijker om te leven in duidelijke kaders, niet tussen de identiteiten in zoals Svevo, maar juist midden in zo’n categorie: honderd procent man, honderd procent hetero, honderd procent Feyenoordsupporter. Waarom zou je die identiteiten willen bevragen als ze je zo fijn van dienst zijn?

‘Ik ben een mens, en niets menselijks is mij vreemd’ – dit citaat van de Romein Publius Terentius Afer zou onze leidraad moeten zijn, schrijft Appiah aan het eind van zijn boek. Maar voor een spreuk zo algemeen als deze komt een identiteitsstrijder zijn loopgraaf niet uit.

    • Floor Rusman