Het megafeest van Gnaeus in Pompeii

Archeologie In Pompeii is een bijzonder grote grafinscriptie ontdekt die een feestelijk banket van ‘keizerlijke’ omvang beschrijft.

Bij opgravingen bij de Porta Stabia in Pompeii zijn archeologen gestuit op een grafschrift van vier meter breed en zeven regels hoog. Foto’S ANP

Gnaeus Allieus Nigidius Maius wist hoe je een feestje moest geven. Op de dag dat hij voor het eerst zijn toga virilis mocht dragen – het kledingstuk dat symboliseerde dat een jongen een man geworden was en rond de zestiende verjaardag werd uitgereikt – trakteerde hij zijn woonplaats Pompeii op een fantastisch banket. Hij liet maar liefst 456 triclinia neerzetten, U-vormige banken waarop vijftien mensen tegelijk konden aanliggen voor het feestmaal.

Die dag werd er dus voor maximaal 6.840 gasten spijs en drank geserveerd. En alsof dat allemaal nog niet genoeg was, organiseerde de jarige voor zijn stadsgenoten ook gevechten waaraan 416 gladiatoren deelnamen. Deze spelen moeten dagenlang hebben geduurd. Naast feesten, voorzag Gnaeus zijn arme stadsgenoten vier jaar lang van brood, en bemiddelde hij bij de keizer over een bloedige ruzie tussen de inwoners van Pompeii en een groep streekgenoten.

We weten dit allemaal dankzij een spectaculaire vondst die vorig jaar tijdens opgravingen bij de Porta Stabia in Pompeii werd gedaan. Archeologen stuitten daar op een grafschrift van vier meter breed en zeven regels hoog.

Niet eerder gevonden

Zo’n omvangrijk grafschrift werd nog niet eerder gevonden in de stad die in 79 na Christus door een uitbarsting van de Vesuvius werd bedolven, en ook vanuit de rest van het Romeinse rijk zijn weinig langere grafinscripties bekend. Massimo Osanna, de directeur van het archeologisch complex Pompeii, publiceerde de tekst vorige week in het Journal of Roman Archeology.

De grafinscriptie is waarschijnlijk niet compleet, want op het monument ontbreekt de naam van de gulle weldoener. Op basis van informatie uit andere inscripties komt Osanna tot de conclusie dat het hier moet gaan om Gnaeus Allieus Nigidius Maius, lid van een vooraanstaande plaatselijke familie, die leefde vlak voor de eruptie van de Vesuvius.

Miko Flohr noemt de ontdekking van de inscriptie „waanzinnig”. Flohr is universitair docent Oude Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij heeft archeologisch veldwerk gedaan in Pompeii en publiceerde meerdere artikelen over de economie in deze Zuid-Italiaanse stad. „Veel vakgenoten volgen dit met grote interesse. Over deze vondst zijn we voorlopig nog niet uitgepraat. De inscriptie geeft een prachtige inkijk in het leven van de stad, maar roept ook tal van vragen op.”

De inscriptie is vier meter breed en zeven regels hoog. Foto SANP

Zo is Flohr er nog niet van overtuigd dat het grafschrift gaat over Gnaeus Allieus Nigidius Maius. „De spelen die deze persoon heeft georganiseerd waren bijzonder omvangrijk, bijna keizerlijk. Dat zie je buiten Rome zelden. Het zou dus ook kunnen dat de man die hier is begraven onderdeel was van de elite in Rome. Velen van hen hadden een buitenhuis aan de baai van Napels, dus het is niet ondenkbaar dat zo iemand hier gestorven is. Het feit dat nergens in de tekst officiële functies worden genoemd, zou een verdere aanwijzing kunnen zijn dat de overledene van buiten de stad kwam.”

De tekst roept ook allerlei praktische vragen op. Osana stelt dat de 6.840 gasten allen behoorden tot de vrije mannelijke bevolking van de stad. Extrapolerend komt hij vervolgens op een totaal bevolkingsaantal voor Pompeii van ongeveer 30.000 mensen. Flohr: „Ik weet niet of hij daarin gelijk heeft, maar we weten nu in ieder geval hoe groot de bevolking minimaal is geweest. Dat is voor het eerst. Wat mij vooral fascineert is de vraag hoe ze dit logistiek voor elkaar gekregen hebben. Waar kwam al dat eten en drinken vandaan, hoe is het opgeslagen en bereid?”

De inscriptie zal een belangrijke rol spelen in onderzoek en onderwijs de komende jaren, zegt Flohr. „Het debat over de rol van de elite in de Romeinse maatschappij krijgt hierdoor een nieuwe impuls. En omdat de tekst mooi uitgeschreven is, bijna zonder afkortingen, is hij ook heel geschikt om met studenten te lezen.”

    • Bart Funnekotter