Opinie

    • Ellen Deckwitz

En nu

Het telefoontje kwam om half tien ’s avonds, twee dagen nadat ze me hadden verteld wat palliatieve sedatie inhield. Maandagmiddag werd ze in slaap gebracht maar ze nam toch nog de tijd, ondergedompeld in die lakenwarme morfinepoel.

48 uur lang had ik mijn mobiel niet uit het oog verloren, wachtend op het verlossende bericht. Dat wachten kleurde de dagen. Alles raakte beladen: koffiedrinken, met mijn ouders bellen, haren wassen.

Hij klonk hees aan de lijn, zei de verplichte dingen als dat het zo beter was. Dat ook moeders moeten gaan. Ik had verwacht dat hij geheel overstuur zou zijn – hij is al bijna twintig jaar mijn beste vriend – maar hij had een kalmte over zich die me radeloos maakte.

„Kan ik iets doen? Moet ik naar je toe komen?” vroeg ik.

„Nee, mijn man is er, en we gaan nu met de familie waken”, zei hij. We hingen op.

Slecht nieuws is doorgaans het voorstadium van verdriet. Als ik mijn ogen voel prikken huil ik meestal even voor de vorm, zodat ik mezelf ervan kan overtuigen dat ik opgelucht ben en weer door kan met die kwartaalaangifte. Dit keer sprongen de tranen meteen uit mijn gezicht. Het werd gaandeweg zo’n huilbui dat ik even steun zocht bij een stoel, alsof rouwen hetzelfde is als leren schaatsen.

Verdriet is doorgaans het voorstadium van woede. Na het janken kwam inderdaad het schreeuwen. Mijn overbezorgde bovenburen, die me al tijden aan hun beste vriend willen koppelen die niet geheel toevallig psychiater is, waren godzijdank op vakantie. Ik schreeuwde mijn diploma’s van de muren af, smeet bloemen uit vazen. Duwde kamerplanten, die er ook niets aan konden doen, omver. Brulde tegen de foto’s van mijn ouders, broer, zus en neefjes. Zaten ze daar te nepgrijnzen in hun lijstjes, veilig achter het glas, beetje te doen alsof zij niet sterfelijk zijn. Ik rukte de fotolijstjes van de wand, smeet mijn familie door de kamer, het glas brak, ik stampte het fijn met mijn kisten, metaal verboog onder mijn stalen neuzen.

Woede is doorgaans het voorstadium van schoonmaken. Ik dweilde bedorven vaaswater op, borg bloemen. Schepte aarde terug in potten. Bevestigde de gekreukte foto’s met plakband weer boven mijn bureau. Veegde glassplinters voorzichtig bij elkaar, er kwam geen druppel bloed bij vrij.

Een uur na het telefoontje had ik mijn hele woonkamer afgebroken en weer gerestaureerd. Alles was geordend, haast alsof er niets gebeurd was. Mijn ogen en keel brandden maar de tranen en de gillen waren op. De wanhoop niet.

En nu, dacht ik. Wat kan ik nu in godsnaam nog doen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz