Ministerie probeerde rapporten ‘onbehoorlijk’ te beïnvloeden

WODC-affaire Het ministerie van Justitie en Veiligheid zette druk op onafhankelijk onderzoek naar cannabis. Rapporten zijn niet onbetrouwbaar, concludeert een commissie.

Foto Lex van Lieshout/ANP

Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft in enkele gevallen niet behoorlijk gehandeld in pogingen onafhankelijke wetenschappelijke rapporten over zijn eigen cannabisbeleid naar zijn hand te zetten. Maar omdat de onderzoeker zich verzette, zijn de rapporten niet ontoelaatbaar beïnvloed.

Dat zijn de conclusies van een commissie die onderzoek deed in de zogeheten WODC-affaire, die deze woensdag worden gepresenteerd. De commissie onderzocht meldingen uit 2014 van manipulatie van wetenschappelijk onderzoek door het ministerie.

Lees ook: De eenzame strijd van een klokkenluider bij Justitie

Aanleiding zijn klachten van drugsonderzoeker Marianne van Ooyen, voormalig medewerker van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC). Zij meldde intern dat beleidsambtenaren van Justitie en Veiligheid haar onder zware druk zetten om in rapporten de effecten van het cannabis-beleid van toenmalig minister Ivo Opstelten (VVD) gunstiger voor te stellen. Opstelten was een uitgesproken voorstander van een strenger drugsbeleid.

Voor de zomer concludeerde een andere commissie al dat WODC en departement slecht waren omgegaan met de klachten van Van Ooyen. Die werden nooit serieus genomen, totdat Nieuwsuur eind vorig jaar over de zaak berichtte.

Politieke sturing

De commissie die woensdag haar bevindingen presenteert, staat onder leiding van Jacques Overgaauw, voormalig vicepresident van de Hoge Raad. Die onderzocht of de druk op Van Ooyen heeft geresulteerd in onbetrouwbare rapporten. Dat is niet het geval, vindt de commissie. Volgens haar is de Tweede Kamer correct geïnformeerd door het WODC over het toen geldende drugsbeleid.

In de gevallen dat het ministerie „onbehoorlijk” of „niet behoorlijk” opereerde richting Van Ooyen, heeft dit „geen negatief effect gehad op de uitkomsten” van het onderzoek, aldus de bevindingen. Volgens de commissie was de inmenging vanuit het ministerie merendeels constructief en heeft die vaak geresulteerd in betere onderzoeken.

E-mails aan Van Ooyen waarin staat dat er „politieke sturing” moet zijn op de uitkomsten van haar onderzoeken en dat er „niet ineens iets totaal anders uit moet komen dan tot nu toe gecommuniceerd aan de Tweede Kamer” moeten volgens de commissie in dat licht worden gezien.

De mogelijke politieke bemoeienis met de onafhankelijke onderzoeken van het WODC is politiek een heet hangijzer. De Tweede Kamer baseert haar beleid mede op de objectieve beleidsevaluaties door het onderzoeksinstituut.

    • Merijn Rengers
    • Derk Stokmans