Recensie

Anne & Patrick Poiriers perfecte wereld is onmenselijk

Tentoonstelling Het Franse kunstenaarsechtpaar Anne en Patrick Poirier wil in maquettes van gebouwen en fictieve steden op een ordelijke manier de cultuur bewaren. Maar veel vertrouwen hebben ze er niet meer in, blijkt in De Pont.

Het oeuvre van Anne en Patrick Poirier is melancholiek en ademt een nostalgisch verlangen naar monumentaliteit. Bij de ingang staat een recent werk opgesteld, twee hoofden van kunststof van twee meter hoog, uitvergrote 3D-scans van het Franse kunstenaarsduo. Aan de achterkant staat in het holle hoofd van Anne een grote halfronde trap, waarop twee poppetjes staan, 3D-prints van de kunstenaars. In het hoofd van Patrick zit een ruïne van een amfitheater. Alles spierwit.

De zoektocht van de Poiriers (beiden geboren in 1942) naar ons culturele geheugen begon zo’n vijftig jaar geleden in Rome. Sindsdien brengen zij archeologische vindplaatsen in kaart, vooral uit de Griekse en Romeinse Oudheid. Ook bezochten ze het 12de-eeuwse Cambodjaanse hindoe-tempelcomplex Angkor Wat, en documenteerden ze de destructie door een aardbeving in Los Angeles in 1995.

Janus 2018 van Anne & Patrick Poirier. Foto Peter Cox

Deze kunstenaars hebben grote ambities. De Poiriers willen samenhang brengen in beelden en herinneringen van onze westerse cultuur, door ze te ordenen in maquettes van gebouwen en fictieve steden. Ook archiveren ze sporen van hun zoektocht, zoals gedroogde planten, notities, foto’s en tekeningen. Hun werkwijze heeft wel iets gemeen met die van een etnograaf, die onderzoek doet naar het dagelijks leven van een specifieke groep mensen door middel van nauwkeurige en participerende observatie.

Sinds 2002 reizen de Poiriers niet meer en leiden ze een teruggetrokken bestaan in de Provence in Zuid-Frankrijk. Gaandeweg raken herinneringen aan de reizen vermengd met imaginaire beelden. Het onderscheid vervaagt tussen wat ze echt en wat ze in hun dromen hebben beleefd, zeggen ze.

Verloren idealen

Lost Archetypes (1979) is een vroege reeks van vier ruïneuze bouwkundige modellen op hoge sokkels: een ronde toren, een zeshoekige toren, een steile trap, en een arena, alles van wit gips. Mnémosyne (1990) is genoemd naar de Griekse godin van de herinnering en moeder van de negen muzen. Dit grote ellipsvormige reliëf (770×550 cm) van wit geschilderd hout verbeeldt een ideale stad. Het reliëf ziet eruit als de doorsnede van twee hersenhelften, die van elkaar worden gescheiden door een kaarsrechte weg. Ter linker en rechterzijde bevinden zich amfitheaters, stadia, koepels en kegelvormige torens.

De Poiriers behoren, met onder anderen Christian Boltanski en Annette Messager, tot een naoorlogse generatie van Franse kunstenaars die zich engageerden met de anti-Vietnambeweging en de Parijse rellen van 1968. Uit hun werk spreekt desillusie, een besef van verloren idealen, van mislukte protesten tegen kapitalisme, en van de nederlaag tegenover het bureaucratisch staatssocialisme van het Sovjet-systeem.

De installatie Danger Zone_van Anne & Patrick Poirier in museum De Pont. Foto Peter Cox

De Poiriers lijken tegenover deze desillusie, als een soort tegengif, een idee van Utopia te willen plaatsen, een utopie van harmonie en grandeur verbeeld als een volmaakte, witte en onaanraakbare stad. Ouranopolis (1995) is een ‘hemelse stad’ die als een schotel door de ruimte zweeft. De schotel belichaamt het geheugen van onze humanistische cultuur, een uitgestrekt gangenstelsel met archieven is te zien door kleine patrijspoortjes. Ook Daidapolis (2015) is zo’n zwevend visioen van perfectie, genoemd naar Daedalus, de uitvinder en technicus die de vleugels voor zijn zoon Icarus ontwierp. Als in een ark van Noach worden in deze goudkleurige vleugel de grote bibliotheken van de mensheid bewaard.

De utopie van de Poiriers is rationeel, een ideaalbeeld van statische perfectie en van sociale harmonie dat onbereikbaar is, omdat het onleefbaar is. Mensen komen er dan ook niet in voor, met uitzondering van de twee scans van henzelf. Hun werk roept associaties op met de visionaire bouwwerken van de 18de-eeuwse architecten Étienne-Louis Boullée en Claude Nicolas Ledoux. Ledoux realiseerde een ideale stad bij de Koninklijke Zoutmijnen van Arc-et-Senans, een cirkelvormige stad met fabrieken en werkplaatsen. De mijnwerkers bewoonden huisjes met tuintjes gerangschikt rondom een uitgestrekt binnenplein. Er was ruimte, licht en regelmaat, maar er heerste ook totale controle van de opzichter. Het bestaan van de mijnwerkers was een keurslijf van gelijkvormigheid en tirannie.

Zwart

De maquettes van de Poiriers zijn, net als de architectuur van Ledoux, strikt geometrisch en vervreemdend. Ze bieden structuur zonder inhoud en belichamen zo een maakbare en totalitaire samenleving, waar anonieme systemen aan de macht zijn.

Het ideaal van perfectie en sociale harmonie is onbereikbaar, omdat het onleefbaar is

Tegenover deze utopische droom van het sublieme en absolute staat de dystopie van zwarte vernietiging. Het tegengif voor maatschappelijke en politieke desillusie, kan, zo blijkt, ook werken als gif. In de achterzaal van de tentoonstelling overheerst het zwart. Exotica (2000) is een zwarte stad, er vliegen bommenwerpers overheen. Straten lopen dood, treinen rijden niet. Dit is wat is overgebleven na een totale oorlog, er zijn geen burgers meer, alleen nog zwaarbewapende milities die vliegvelden, snelwegen en fabrieken bewaken. Het werk is gemaakt van afval, zoals plastic flessen, verpakkingen, dozen. Exotica is de exacte tegenhanger van Mnémosyne. En net als Mnémosyne is Exotica streng en geometrisch geordend, en ieder onderdeel is precies gelabeled en heeft zijn plek, beide, wit en zwart, laten een sublieme wereld zien.

Het oeuvre van Anne en Patrick Poirier is eigenlijk ondoordringbaar. Welk verleden van de mensheid moet worden bewaard, welk geheugen gered, en waarom? Wie gelooft nog in een antropocentrische en rationele manier van denken die leidt tot oorlog en tot de vernietiging van de planeet, zoals zij zelf ook met hun zwarte sculpuren laten zien?

Een uitzondering op de geometrische absoluutheid van hun werk is Danger Zone (2001). Onder een transparante plastic koepel staat een houten hutje van een overlevende van de Apocalyps. De bewoner heeft spaarzame overblijfselen van de ramp om zich heen verzameld: een paar opgezette vogels, verdroogde takken, enkele prehistorische en primitieve artefacten. Het is rommel en chaos, en het plastic moet de bewoner beschermen tegen besmettingsgevaar. Toch is Danger Zone menselijker dan de andere visioenen, en lijken daar betere kansen op overleving te bestaan.

    • Janneke Wesseling