Albumoverzicht: My Baby zuigt je mee, Kurt Vile is gelukkig nog op z’n dooie gemakje

Recensies Wat moet je luisteren? De muziekrecensenten bespreken de albums die deze week verschijnen.

  • ●●●●

    My Baby: Mounaiki

    My BabyPop: Muziek die een tranceachtige stemming wil opwekken heeft een keerzijde. Want wanneer slaat vervoering om in verveling? Aan de andere kant, als de repetitieve stijl wordt gedoseerd, en ondersteund door subtiele verrassingen, kan muzikale trance een van de mooiste ervaringen opleveren. Van het Nederlandse trio My Baby is al bekend dat ze, ook live, hun ritmes en accenten kunnen laten trillen, vibreren en sidderen. My Baby is trouw aan een zekere lichtheid: de drums kloppen meer dan dat ze beuken, de zang van Cato van Dijck is hoog en dartel. Maar op het nieuwe album Mounaiki klinkt de ritmische onderstroom dieper en aardser dan eerst: de gitaar kreeg een zoemend randje, de klanken zijn zompiger. De muziek, afwisselend langzaam of opzwepend, zuigt je mee in nummers als ‘In The Club’ en ‘Shadow Dancer’, of in het Afrikaans twinkelende ‘For A Change’.Hester Carvalho

  • ●●●●●

    Mick Jenkins: Pieces Of A Man

    Mick JenkinsHiphop: Mick Jenkins verwelkomt in het intro van zijn nieuwe album Pieces Of A Man een publiek met een spoken-wordvoordracht. Daarin vertelt hij gekomen te zijn om ‘food for thought’ te verspreiden. Met zijn diepe stem en complexe volzinnen zorgt hij er inderdaad voor dat de luisteraar geen makkelijk te behappen album krijgt voorgeschoteld. Hij beschrijft en bestrijdt zijn innerlijke demonen, geeft mensen die doen alsof ze hem kennen een veeg uit de pan en dankt God bij het wakker worden. Toch lijkt ook een clevere rapper als Mick Jenkins niet om onderwerpen heen te kunnen die al door duizend-en-één andere rappers zijn besproken. Op ‘Reginald’ laat hij bijvoorbeeld niemand anders zijn drugsgeld tellen en ‘Plain Clothes’ is een voor hem ongebruikelijke track gericht op materialisme. Gelukkig staat er een sublieme samenwerking met Wu-Tang Clan-veteraan Ghostface Killah tegenover en trekt hij met de kalme, jazzy sfeer die door het album sijpelt een hoop recht.Bowie van Loon

  • ●●●●●

    Ambrose Akinmusire: Origami Harvest

    Ambrose AkinmusireJazz: Steeds meer drukt de Amerikaanse trompettist Ambrose Akinmusire zijn non-conformistische, genremengende stempel op de jazz, als een doordacht componist en speler met visie. Origami Harvest is een protestvuist in de periferie van de jazz. Een tamelijk abstract album dat bol staat van experiment en statements in composities die jazz met zijn band, kamermuziek (van de strijkers van het Mivos Quartet) en hiphop/spoken word (van rapper Kool A.D) vervlechten. Maar het is taaie kost. Je voelt het in alles. Die barsheid van de strijkers. De dwarse ritmiek die steeds op het verkeerde been zet. De maatschappijkritische, bozige teksten. Hoe Akinmusire in ‘Free, White and 21’ de namen opsomt van mensen die door politiegeweld om het leven kwamen. Zijn eigen trompet is ondergeschikt aan de contrastrijke ambitie. Dit is niet een plaatje om je te laten meevoeren. Maar om over na te denken. Amanda Kuyper

  • ●●●●●

    Horrendous: Idol

    HorrendousMetal: Met zo’n albumhoes weet je hoe laat het is: rijen vlijmscherpe tanden in een veelvormige, uitdijende horror-schedel en een bandlogo dat doet denken aan een mislukte chirurgische ingreep. Death metal dus. Da’s ook zo, maar Horrendous slaat de knekels graag over de randen van dat hokje, naar voorbeelden als Cynic, Atheist en Death: watervlugge basloopjes, steengruis-zang, complexe drumpatronen, snoeihard maar dynamisch en melodieus. Album nummer vier, Idol, is een volgende stap in dat avontuurlijke geluid. Hoe langer het album vordert, hoe wijder de ramen opengaan en hoe verder de verduisterende death metal-gordijnen openwaaien. In ‘Devotion - Blood for Ink’ volgt na een duizelingwekkende solo ineens een prachtige progrock-wending: met Steven Wilson-zang, koortjes en een zoet echoënde gitaar op de achtergrond – om daarna hypnotiserend intens af te sluiten met een van de vele heerlijk aanstekelijke riffs op dit album. Horrendous schakelt subtiel en natuurlijk tussen die uitersten. Peter van der Ploeg

  • ●●●●

    Kurt Vile: Bottle It In

    Kurt VilePop: Dat rondzingende echopedaaltje in de eerste seconden van opening ‘Loading Zones’ verraadt meteen hoe laat het is: tijd om lekker achterover te gaan hangen. Op zijn achtste album doet Kurt Vile alles weer gewoon op zijn dooie gemakje. Over heerlijk lome gitaarlagen murmelt hij over zijn dagelijkse beslommeringen (slapen, boodschappen doen, blowen, kalm blijven) en klinkt daarbij nog steeds als een luie lapzwans – en dat is een groot compliment. Zweverige tien-minuten-tracks als ‘Bassackwards’, het titelnummer ‘Bottle It In’ en ‘Skinny Mini’ zijn pure decibellen-zen. Oké, de namaakcrooner ‘Rollin With the Flow’ had niet per se gehoeven. En strenge puristen zouden Vile hier en daar kunnen beschuldigen van wat gemakzuchtig zelfplagiaat. Maar waarom iets veranderen wat al steengoed was? Concert: 1 november, Paradiso, Amsterdam en 3 november TakeRoot Festival, Oosterpoort, Groningen Frank Provoost

  • ●●●●

    Cappella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss: Josquin des Prez – Miserere mei Deus

    Cappella Amsterdam o.l.v. Daniel ReussKlassiek: In zijn In principio verklankt Josquin des Prez die beroemde eerste passage uit het Johannes-evangelie. ‘In den beginne was het woord.’ Deze eerste verzen zijn ‘een getuigenis van het licht’. En zo zou je ook het album kunnen noemen, waar dit gezang op te horen is. Koor Cappella Amsterdam en chef Daniel Reuss zetten de muziek van Des Prez in een Caravaggio-achtig perspectief van licht en duisternis: stemmen die als vlammen oplaaien, smeulen en doven. Cappella opent met een eerbetoon van Des Prez aan de overleden Johannes Ockeghem en besluit met een klaagzang voor de gestorven Des Prez van zijn bewonderaar Nicolas Gombert: ‘Wrede en verdorven dood, jij ontzegt de tempels en de hoven zoete klanken.’ De meerstemmigheid van Cappella, de stijgende en dalende lijnen, lijkt alle hoogten en diepten van het verdriet te bestrijken. Joost Galema