Zorgplicht bank geldt ook bij professionele partijen

Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week civiel recht: zorgplicht van de bank.

Foto Bart Maat/ANP

De zaak is ruim twintig jaar oud, maar niet verjaard doordat adviesbedrijf ISG telkens net op tijd de juiste stap zette om verder te kunnen procederen. ISG stak in 1998 via een betaalrekening bij ABN Amro veel geld in de Brusselse beleggingsmaatschappij COB. Door fraude bij dit syndicaat verdampte het geld als sneeuw voor de zon. Daarop eiste ISG 14 miljoen dollar schadevergoeding van de bank, omdat deze zou hebben nagelaten tijdig in te grijpen. In cassatie verwees de Hoge Raad het geding tussen investeerder en bank in 2015 terug naar het gerechtshof Den Haag voor definitieve afhandeling. Kernvraag: hoever reikt de zorgplicht van de bank?

De bank stelde zich op het standpunt dat haar zorgplicht niet geldt voor professionele partijen als ISG, die bij uitstek zelf deskundig zijn op financieel terrein. Het Haagse hof verwerpt dit verweer: Rechtspersonen met een bepaalde (grote) omvang worden weliswaar geacht zelf de benodigde financiële beslissingen te nemen, maar dat betekent niet dat de bank geen zorgplicht heeft ten opzichte van ISG als zij op de hoogte raakt van frauduleuze praktijken. Die kwamen eind juni 1998 aan het licht. Na onderzoek beëindigde de bank anderhalve maand later haar relatie met COB. De zorgplicht gaat, aldus het hof, niet zover dat de bank ISG over de uitkomst van haar onderzoek had moeten informeren, maar de bank had ISG wel moeten melden dat zij de rekening van COB had opgeheven. Bij de ontdekking van de „onregelmatigheden” was het meeste geld al weg. Het hof becijfert de restschade voor ISG op 1 miljoen dollar en stelt de bank daarvoor voor 25 procent (250.000 dollar) aansprakelijk, te vermeerderen met rente sinds 1998.

Uitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2018:2417

    • Joop Meijnen