‘Ze’ in ‘Lees ze!’ Wat is dat voor woord?

Taalkunde „Lees ze!” Dit stuk gaat over het woordje „ze” dat u net las. Is dat misschien een nieuwe werkwoordsuitgang in het Nederlands?

Je weet dat de ander gaat werken of wandelen. Bij wijze van afscheid kun je dan zeggen: „Werk ze!" of „Wandel ze!". Maar wie of wat is die „ze”?

Ton van der Wouden, taalkundige bij het Meertens Instituut, schreef over die kwestie een artikel dat deze maand verschijnt in Linguistics in the Netherlands. Hij laat daarin zien dat dit „ze” op maar liefst drie verschillende manieren benoemd kan worden: als een persoonlijk voornaamwoord, als een bijwoordje, of als een werkwoordsuitgang.

De betekenis van „Werk ze!” is niet heel moeilijk op een andere manier te verwoorden. Het is zoiets als „Succes met werken!” of „Veel plezier met werken!” De gangbare analyse was tot nu toe: „werk” is een gebiedende wijs, „ze” een persoonlijk voornaamwoord. Dat is een „ze” als in „Ik heb ze gezien.”

„Ze” zou dan een lijdend voorwerp moeten zijn. Daar beginnen de problemen. In deze afscheidsformule worden werkwoorden gebruikt die normaalgesproken helemaal geen lijdend voorwerp verdragen. Je kunt niet „iets werken”, „iets slapen” of „iets wandelen.” Van der Wouden vindt daarom dat het meer voor de hand ligt om in „ze” een bijwoordje te zien.

Gebiedende wijzen krijgen in het Nederlands bijna altijd een bijwoordje dat de betekenis van de zin inkleurt. Je zegt niet zo snel „Eet!”, want dat klinkt te dwingend. Je zegt: „Eet maar!” (uitnodigend), of „Eet dan! (aansporend)”, of „Eet nou maar!” (ongeduldig), etcetera. „Eet ze!” (succes wensend) zou heel mooi in dat rijtje passen.

Maar hiermee zijn de problemen niet opgelost. Want: is „werk” in „werk ze” wel een gebiedende wijs? Je zegt met dit type zinnen niet dat de ander iets zou moeten gaan doen. Nee: je weet dat de ander iets gaat doen en je wenst hem of haar daar veel plezier of succes mee. Het is geen opdracht. Is dat nog een gebiedende wijs?

Veel succes!

„Werk” heeft de vorm van een gebiedende wijs, maar zou evengoed een werkwoordstam kunnen zijn. Gebiedende wijzen en werkwoordstammen hebben in het Nederlands dezelfde vorm. Zo komt Van der Wouden bij een derde analyse-mogelijkheid: „ze” is een werkwoordsuitgang die aan het werkwoord de specifieke betekenis geeft van een wens in de trant van „veel plezier/succes met ...”

Van der Wouden wijst erop dat deze afscheidsformule op twitter door veel mensen spontaan aan elkaar wordt geschreven. In de helft van alle gevallen is het „werkze” of (zoals het inderdaad wordt uitgesproken:) „werkse.” Dat zou erop kunnen wijzen dat veel mensen „ze” als een uitgang ervaren.

„Wat misschien een beetje gek is”, zegt Van der Wouden, „want het Nederlands heeft de afgelopen 1.500 jaar juist veel uitgangen laten vallen. Dan is het vreemd als er opeens een nieuwe uitgang ontstaat.” Bovendien is dit een uitgang die maar bij een beperkt groepje werkwoorden kan worden toegepast. Er zijn een heleboel werkwoorden die de uitgang niet verdragen. Je kunt niet zeggen: „Blijf ze!”, „Vertrek ze!”, „Sterf ze!”, „Was ze af!”, „Kijk ze film!”, etcetera. „Maar”, zegt Van der Wouden, „Het Engels is ook een taal waarin de uitgangen grotendeels verdwenen zijn, en daarin vind je een veel gebruikte werkwoordsuitgang die ook maar beperkt gebruikt kan worden, bij een stuk of twintig werkwoorden: de ontkennende uitgang -n’t, in don’t, can’t, haven’t, etcetera.”

Hoe werkt taal?

Wat maakt het eigenlijk uit of „ze” een persoonlijk voornaamwoord, een bijwoord of een uitgang is? Van der Wouden: „Als taalkundige wil ik graag weten hoe zulke zinnen passen in het grotere plaatje van hoe taal werkt. En mensen hebben de grammatica van een taal op een bepaalde manier in hun hoofd zitten. Als „ze” een persoonlijk voornaamwoord is, zit dat „ze” op een andere manier in hun hoofd dan wanneer „ze” een werkwoordsuitgang is.”

De drie geopperde analyse-mogelijkheden sluiten elkaar ook helemaal niet uit. Het kan heel goed zijn dat „ze” in „werk ze” ooit als persoonlijk voornaamwoord is begonnen, en dat het daarna in onze hersenen geleidelijk aan abstracter werd: eerst een bijwoordje, daarna een nieuwe werkwoordsuitgang. In de geschiedenis van een taal is dat een heel gewone ontwikkeling, die we nu misschien zien.

    • Berthold van Maris