Welk boek zou verfilmd moeten worden?

Welk boek zou absoluut verfilmd moeten worden? Drie schrijvers vertellen.

Jan van Mersbergen kiest Van dode mannen win je niet van Walter van den Berg.

In De heilige Rita van Tommy Wieringa staat mijn favoriete zin van vorig jaar: ‘Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, ‘want we wonen langs een drukke weg’.’ Zeer beeldende zin die niet mag ontbreken in de verfilming. Nu werkt film anders dan tekst. Film roept niet door woorden beelden op, film toont de beelden. In de verfilming van De heilige Rita kan de vader in een gesprek verzeild raken waaruit blijkt dat hij meer kinderen had gewild. Daarna hoeft hij niets meer te zeggen. Hij hoeft alleen maar vanuit het huis naar de drukke weg te kijken.

Het is nooit gekomen tot een verfilming van een Wieringa- roman. Wel wordt zijn korte verhaal Ballon verfilmd. Dit zegt iets over de verhoudingen. Een speelfilm is op papier een kort verhaal. Een roman is doorgaans te groot voor het witte doek, er moet dus in gesneden worden. Harde keuzes waar de schrijver niet altijd achter staat, zoals Wieringa bij de verfilming van zijn Joe Speedboot. Dat lukt niet. Al jaren proberen scenaristen mijn carnavalsroman Naar de overkant van de nacht om te zetten in een werkbaar filmscript. Ik ben inmiddels drie romans verder.

Vaak blijkt de roman voor een film een keurslijf. Weg met de boekverfilming dan maar? Onze filmredacteur aarzelt. Lees ook: Weg met de boekenfilm?

Van dode mannen win je niet van Walter van den Berg is een mooi beklemmend verhaal met een gering aantal personages, beperkte reikwijdte, en toch een complete vertelling. Een stiefvader terroriseert een gezin. Hij is vreselijk voor de moeder, maar smeedt met haar zoontje een verbond. Vanuit een zeer goed getroffen jij-perspectief laat Van den Berg de stiefvader de zoon aanspreken, achteraf. Hij probeert zijn verhaal vol onbetrouwbaarheid, agressie en geweld naar de jongen toe zacht te maken, bijna als een verantwoording. De jongen gaat erin mee. Hij kan niet anders.

Als de stiefvader hem meeneemt naar een kroeg om zaken te doen, schaamt hij zich daar later voor. Er volgt een dialoog, weer vanuit die aanspreekvorm. De jongen zit thuis te gamen.

„Ik had gewoon niet door dat het al zo laat was.”

„Is niet erg”, zei je.

„Wat ben je aan het doen?” vroeg ik.

„Frogger”, zei je.

„Wat is dat?”

„Je bent een kikker”, zei je. „Je moet de straat oversteken.”

„Dit doe je liever dan op mij wachten in een café, hè.”

Je haalde je schouders op. „Ja.”

Ook dit is beeldende taal. Geen enkele uitleg over dat spel, alleen: Je bent een kikker.

Dit kan zo verfilmd, liefst zonder voice-over.

A.L. Snijders kiest Net als alle mannen van John McGahern

Susan Spillane en Michael Duggan ontmoeten elkaar in een danszaal in Dublin. Hij is leraar, zij is verpleegster. De tweede zin van het verhaal luidt: ‘Ze was niet groot of beeldschoon, maar hij kon zijn ogen niet van haar afhouden.’ De vrouwen staan op de dansvloer te wachten op een man die hen kiest. Er zijn vrouwen die duidelijk lijden als ze geen aandacht krijgen, terwijl anderen zich uitdagend gedragen.

Susan Spillane reageert niet als ze wordt overgeslagen, maar toont ook geen opluchting of triomfgevoelens als ze wordt uitgekozen. In beide gevallen is ze zorgeloos. Michael Duggan danst met haar, ze danst heerlijk, met een krachtige, moeiteloze vrijheid. Als hij haar na het dansen een drankje aanbiedt, zegt ze dadelijk dat ze graag whiskey drinkt – ze is eigengereid. Na het dansen ontstaat de spanning van het vervolg, wat moeten ze doen? Eerst maken ze een wandeling en kussen ze elkaar in een portiek in een armoedige straat. Dan praten ze over een hotel. Hij vertelt dat hij altijd in een pension slaapt, daar kunnen ze niet terecht, vier mannen op een kamer. De afgelopen nacht is er door een misverstand met een doofstomme man gevochten.

Ze besluiten een hotelkamer te nemen. Er is bij haar voor het eerst wat spanning, zullen ze geaccepteerd worden? Er wordt niet moeilijk gedaan, ze krijgen een kamer met bad op de eerste verdieping. McGahern schrijft: ‘Wat ben je mooi. Hij wilde zeggen dat de schoonheid van haar naakte lichaam hem de adem benam, hem bijna pijn deed.’

Datgene waar hij zo naar had verlangd dat het beangstigend was geworden, maakte zij gemakkelijk, maar hij kon haast niet geloven dat hij zich nu in het stille hart bevond van wat lange tijd een droom was geweest. Voor wie er lang van verstoken is geweest, krijgen de eenvoudige geneugten van tafel en bed een treurige mystiek.

„Was je al eens met iemand naar bed geweest?„ vroeg hij.

„Ja, met één man.”

„Was je verliefd op hem?”

„Ja.”

„Hou je nog steeds van hem?”

„Nee. Helemaal niet.”

„Ik nog nooit.”

„Weet ik.”

Daarna, tijdens de maaltijd, ontvouwen zich hun levens. Hij vertelt dat hij nog maar een jaar leraar is. Voor die tijd heeft hij een priesteropleiding gevolgd. Enkele maanden voor zijn wijding heeft hij die verlaten. Niet vanwege het celibaat, hij was zijn geloof verloren.

Hij verliest haar ook. Als hij een afspraak wil maken, gaat dat niet. Ze gaat bij een kloosterorde, binnen enkele dagen treedt ze toe. Hij kan het niet geloven, hij probeert alle argumenten, maar ze moet haar belofte houden. Als ze opstaan ziet hij tranen in haar ogen. Hij brengt haar naar de bushalte.

De laatste zinnen van het verhaal: ‘Terwijl hij aan haar liep te denken, betrapte hij zichzelf erop dat zijn passen hem gretig in de richting van de busterminal voerden ….. maar bijna meteen hield hij ook weer in. Zijn tred kreeg iets aarzelends, alsof hij overwoog terug te keren. Hoe gretig hij ook ergens heenliep, hij wist dat het hem nergens anders heen kon voeren dan naar de volgende dag, en de dag daarna.’

Ik zou graag zien dat dit verhaal verfilmd wordt, ik ben verliefd geworden op Susan Spillane, ik wil zien hoe ze er in werkelijkheid uitzag.

Maartje Wortel kiest Weekendpelgrimage van Tip Marugg

‘Mijn hoofd ligt op het stuur. Het is er met een harde slag tegenaan gekomen, maar ik voel geen pijn. Ik hoor alleen maar dat ene alles overheersende geluid, dat zoemen en gonzen, alsof zich een reusachtig insect in de wagen bevindt.’ Zo begint het boek Weekendpelgrimage (1957) van de Curaçaose schrijver Tip Marugg.

Als u dat boek nog niet heeft gelezen: lees het. Op de cover van de eerste uitgave staat onder de titel: De roman over een in dronkenschap doorgebrachte zaterdagavond en zondagmorgen.

Een dronken man is met zijn auto in een greppel terechtgekomen op Curaçao. Terwijl hij in de auto zit – het regent, het is nacht – overdenkt hij zijn leven. Nu ik het zo opschrijf, begrijp ik niet dat het boek niet al verfilmd is. Het is zowel beeldend als verhalend, en leent zich dus perfect voor film. De locatie, dat prachtige, tropische eiland met haar donkerrode aarde en helblauwe zeeën; angstaanjagend paradijselijk. De zon die onheilspellend hard schijnt. De nachten waarin vogels zich te pletter vliegen tegen rotswanden. En mannen en vrouwen die zich dronken en eenzaam (wat is het verschil tussen die twee?) aan elkaar vastklampen. De camera kan dicht bij het personage blijven. Samen in de nacht in de regen in een auto – wie wil dat niet? De koplampen verlichten de greppel; een metafoor voor de toestand waar de man in terecht is gekomen. We zitten daar samen en de man neemt je mee naar zijn jeugd op het eiland. Hij vertelt over de nacht en hij vertelt over zijn leven.

Lees ook het interview met Margaret Atwood: ‘Het ene feminisme is het andere niet’

Het zou een speelfilm kunnen worden, met flashbacks, momenten van die dronken nacht in verschillende bars, het levensverhaal van de man en het eiland, maar evenzogoed zou het een korte film kunnen zijn – wat mij betreft is dat evenals het korte verhaal een onderbelicht maar veelbelovend genre – waarin de auto gefilmd wordt en we een voice-over horen. Als de taal interessant is, en dat is het in het geval van Tip Marugg zeker, is een voice-over soms genoeg.

Het beeld: een motor die ronkt, hagedissen die wegschieten, silhouetten van cactussen die zich aftekenen tegen de nacht. De regen op de voorruit. En dat een donkere stem zegt: „Wat als je iets dringend nodig hebt en je kunt het niet vinden omdat je niet weet wat je zoekt? Pleeg je dan zelfmoord? Of emigreer je naar Canada? Emigreer je dan naar een andere plaats om een nieuw leven te beginnen, onder andere, nieuwe omstandigheden? Of blijf je eeuwig zoeken, tot je erbij neervalt?”

Soms duurt het eeuwige zoeken slechts één nacht. En die nacht zou ik graag in een klam, donker bioscoopzaaltje willen zien. Naast iemand die mijn hand vasthoudt. En dat we dan zachtjes kunnen huilen, om alles wat we nooit zullen vinden.

    • Jan van Mersbergen
    • A.L. Snijders
    • Maartje Wortel