De typische wedstrijdvoorbereiding van Usain Bolt tijdens zijn carrière als atleet: gebaren bedoeld voor het publiek.

Foto Bernd Thissen/EPA

Nico van Yperen: ‘In sport komen alle emoties een keer langs’

Hoogleraar sportpsychologie De sportpsychologie is lang achtergesteld, maar de aandacht neemt toe. „Als sporters aangeven te worstelen, helpt dat anderen.”

Hoogleraar sportpsychologie Nico van Yperen. Foto Rijksuniversiteit Groningen

Hij kan redelijk makkelijk meekomen in verschillende sporten, maar wist op jonge leeftijd al dat hij geen topsporter wilde worden. Daar vond Nico van Yperen (58) zichzelf niet geschikt voor. Op zijn zestiende deed hij aan waterpolo en zwemmen – „elke ochtend vroeg op om helemaal uitgewrongen te worden” – en daar had hij helemaal geen zin in. Hij vond andere dingen ook leuk, zoals studeren en werken aan de universiteit. Hij werd hoogleraar organisatiepsychologie en sinds dinsdag mag hij zich officieel hoogleraar sportpsychologie noemen, als eerste in Nederland.

Rijkelijk laat, dat vindt hij eerlijk gezegd zelf ook. „Maar blijkbaar vinden Nederlandse universiteiten andere gebieden belangrijker dan sport. Ze moeten nou eenmaal keuzes maken.”

Zijn leerstoel Sport & Performance Psychology is „van binnenuit, niet van bovenaf” gecreëerd, waarbij het hielp dat de Rijksuniversiteit Groningen betrokken is bij het Sport Science Insitute en de stad Groningen zichzelf afficheert als City of Talent.

Achtergestelde discipline

Toch, reeds in 1898 publiceerde de Amerikaan Norman Triplett een sportpsychologische studie over wielrenners die sneller fietsen als ze in competitie zijn dan wanneer ze tegen de klok rijden. Maar zelfs in de Verenigde Staten, sportland bij uitstek, werd sportpsychologie pas in 1986 opgericht door de APA, de overkoepelende organisatie van psychologen. Als divisie nummer 47.

De sportpsychologie hobbelt er niet alleen in de wetenschappelijke wereld een beetje achteraan, dat geldt ook voor de sportwereld. De laatste jaren is er wel beduidend meer aandacht gekomen voor de mentale kant van de prestatie. „Ook in de journalistiek”, merkt Van Yperen op. „Het is allang niet meer zo dat je als sporter niet tevreden kunt zijn als je niet gewonnen hebt. Er wordt genuanceerder naar de uitslag gekeken, en beter naar de sporter geluisterd: heeft die er alles uit gehaald? Sanne Wevers kan deze week op de WK een fantastische balkoefening turnen, en ze gaat ook zeker voor goud, maar de kans is groot dat die Amerikaanse [Simone Biles] beter is. Dan is zij niet meteen een loser.”

Rolmodellen

Ook komen steeds meer sporters ervoor uit dat ze met een sportpsycholoog werken, zoals de schaatsers Kjeld Nuis en Ronald Mulder. Heel belangrijk, in de ogen van Van Yperen. „Als zulke toppers eerlijk aangeven met welke spanningen ze worstelen en laten zien dat ze er ook iets aan doen, helpt dat jongeren op hun weg naar de top. Die krijgen zoiets van ‘Hé, zij hebben dat ook.’” Rolmodellen dus. Types zoals Michael Johnson, de Amerikaanse atleet die in de jaren negentig heerste op de 200 en 400 meter. „Hij was geweldig in mentaal opzicht”, zegt Van Yperen. „Wel nerveus, maar nooit echt bang om te falen. Hij werd voor de start afgeleid door negatieve gedachten, maar wist zich te herpakken en te focussen op zijn taken. De start, de bocht. Dat is een vaardigheid die je kunt leren.”

Lees ook: Wat is de erfenis van Usain Bolt?

Geen sporter of coach zal ontkennen dat het mentale aspect een grote rol speelt, zegt Van Yperen. „Maar als je vraagt wat ze er daadwerkelijk aan doen in trainingen, dan valt dat tegen. Daar is nog heel veel winst te boeken.” Een belangrijk onderdeel van mentale training is volgens hem het maximale er uithalen als de prestatiedruk het hoogst is. Maar ook gewoon beter worden, consistenter presteren op een hoog niveau. „Om dat te bereiken moet je mentaal weerbaar zijn, en heb je discipline nodig”, zegt Van Yperen. „Dat je ook gaat trainen als het regent of als het even niet zo lekker gaat. De beste voorspeller of je in een wedstrijd een hoog niveau gaat halen, is of je een hoog niveau hebt. Ook een mentaal onderdeel: durven rusten. Niet trainen kan soms beter zijn.”

Niet elke sportcoach of -trainer is even begaafd in het mentale aspect van de sport, vindt hij. Een van zijn stokpaardjes: iets weten is niet hetzelfde als iets kunnen. Mentale vaardigheden waarop door sporters is geoefend, zullen niet altijd meteen goed toegepast te worden, weet Van Yperen. Zoals een technisch sterke voetballer ook wel eens een pass geeft die niet aankomt „En als je iets eenmaal kunt, wil het weer niet zeggen dat je het dan ook doet op belangrijke momenten. Omdat je bijvoorbeeld niet koel genoeg bent om het plan uit te voeren. Dat leer je weer door het vaker te doen.”

Anticiperen

Presteren onder druk. Het is waar topsport om draait. Neem de rode kaart van Feyenoord-speler Jeremiah St. Juste, zondag in de Klassieker. Na zes minuten kon volgens trainer Giovanni van Bronckhorst het tactische scenario voor het duel met Ajax de prullenbak in. „Het verbaast me dat als zoiets gebeurt, niemand lijkt te weten wat-ie moet doen”, zegt Van Yperen. „Een rode kaart wordt vaker gegeven, daar kun je op anticiperen. Zoals je als team ook kunt bedenken wat je moet doen als je in mum van tijd met 2-0 voorstaat in een wedstrijd die op voorhand lastig leek te worden. Wat doe je dan? Angstig spelen of vol op de aanval? Je kunt ook andere doelen stellen, een nieuwe tactiek die van pas kan komen in een andere wedstrijd. Dat houdt iedereen scherp, spelers zullen meer moeten nadenken omdat automatismen ontbreken. Dan wordt het mentale training in een wedstrijd.”

Van Yperen kijkt zeker niet puur en alleen met een sportpsychologische bril naar sport, hij verliest zich vaak nog in het spel. „Maar sport is als de snelkookpan van het leven en daarmee een interessant onderzoeksterrein voor wetenschappers. In een wedstrijd of voorbereiding komen alle emoties en gedachten een keer naar voren. Dat gedrag biedt ons belangrijke context in een heel korte periode.”

Maar hoe ver sportpsychologie ook zal reiken, begeleiding zal nooit voor iedereen hetzelfde zijn. „Usain Bolt en Michael Phelps, twee grootheden in hun sport, hadden baat bij een totaal verschillende wedstrijdvoorbereiding. Bolt was altijd bezig met het publiek, met zijn bekende gebaren. Phelps was tot vlak voor de start in zichzelf gekeerd, met een zwembril en koptelefoon op.”

Het is en blijft volgens Van Yperen een individuele zoektocht.

De academische rede waarmee Nico van Yperen zijn leerstoel aanvaardde, staat vanaf vrijdag op zijn website SportScience.blog.
    • Rogier van 't Hek