Het gaat pas mis als Mercury uit de kast komt

Freddie Mercury Freddie Mercury worstelt in de nieuwe film over zijn leven met zijn anders zijn. Niet alleen zijn geaardheid is een gevecht, ook zijn niet-westerse achtergrond.

Rami Malek speelt Freddie Mercury in de biopic ‘Bohemian Rhapsody’. Nick Delany

Thuis bij de ouders van Freddie Mercury hangt een portret van de Britse koningin Elizabeth II aan de muur. Aan het begin van Bohemian Rhapsody, de film over het leven van de Queenzanger, zie je zo meteen een aardige verwijzing naar de naam van de rockband die de zoon straks gaat oprichten.

Maar het portret van The Queen is ook een verwijzing naar wat hun beroemde zoon nastreefde: Britser dan Brits worden. Net als andere migranten uit de oude koloniën probeerden zij onzichtbaar op te gaan in de Britse samenleving. Maar voor onzichtbaarheid had de zoon niet zo’n talent. Mercury heette eigenlijk Farrokh Bulsara, hij was een gevluchte Parsi van Zanzibar. Vanaf zijn achtste zat hij op een kostschool in India – als eenzaam kind, ver van zijn familie. Zijn schoolgenoten pestten hem daar omdat hij vooruitstekende tanden had. Pas op zijn zeventiende kwam hij naar Engeland.

Mercury poetste tijdens zijn leven zijn verleden als niet-westerse asielzoeker grondig weg, maar in Bohemian Rhapsody krijgt het alsnog de nodige aandacht. De eerste zin die we horen in de film is van een collega-bagagesjouwer die de jonge Mercury uitscheldt voor „paki”. En even later, als hij voor het eerst het podium betreedt, roept ook een toeschouwer: „Wie is die paki?” Meteen hierop begint Mercury aan zijn bekende theatrale poses – eerst nog wat onwennig op het kleine podium – en laat hij zijn unieke, vier octaven bestrijkende stem horen. Op dat moment heeft hij zijn afkomst van zich afgeschud.

Die migratie-achtergrond draagt bij aan het verhaal van de beroemde maar eenzame man die worstelt met anders zijn. Waarbij in de film zijn seksuele geaardheid de meeste aandacht krijgt.

Want in het Engeland van begin jaren zeventig kon je maar beter niet openlijk homo of migrant zijn. Zeker niet in de hardrockscene, die wordt gedomineerd door witte heteromannen. Gelukkig voor Mercury was er glamrock. In de glam (meer een kleding- dan een muziekgenre) draaide het om ambiguïteit, in gender en seksualiteit. Zwaar opgemaakte mannen met lang haar en vrouwelijke kleding. Bowie die tongde met Lou Reed, zonder dat het hun hetero-imago aantastte. Want vreemd genoeg was homoseksualiteit zo’n groot taboe dat overduidelijk ermee flirten het conservatieve publiek niet opviel. Het werd gezien als behorende tot de malle fratsen van de rockster. Binnen de glamrock kon Mercury zich veilig ontplooien.

Het maken van de film was een zware bevalling die acht jaar duurde. Ongeveer iedereen werd vervangen. De regisseur die nu op de aftiteling staat, Bryan Singer (X-Men, #MeToo) is in werkelijkheid vorig jaar al ontslagen. De film wisselde twee keer van hoofdrolspeler. Komiek Sacha Baron Cohen (Borat) stapte op na ruzie met de overgebleven Queenleden, die als producers op de rol staan. Cohen vreesde een heiligenleven, de Queenleden vreesden een farce.

De bemoeienis van Queenleden Brian May en Roger Taylor kan wel eens verantwoordelijk zijn voor de moeizame geboorte, en voor de problematische manier waarop Mercury’s homoseksualiteit in de film wordt behandeld. Hun visie hierop was eerder te zien in de documentaire Freddie Mercury: The Great Pretender (Rhys Thomas, 2012).

Volgens de film gaat het helemaal mis met Mercury zodra hij uit de kast komt. Hij raakt zijn vrouw kwijt, en terwijl de andere bandleden een gezin krijgen, zit hij eenzaam in zijn koude edwardiaanse stadspaleis. De duivelse manager-minnaar Paul Prenter leidt hem vervolgens op het slechte pad van seriële seks, extravagante feesten en slechte discomuziek. „Beëlzebub has a devil put aside for me!”

Deze Prenter, een soort homoversie van Yoko Ono, vervreemdt hem van de andere Queenleden. In de film zijn zij jongens van de gestampte pot die oogrollend het excentrieke gedrag van praalhans Mercury aanzien. „Je zit in een rockband, niet in de Village People!”, bijten ze hem toe. In de film zien we Mercury maar twee keer vluchtig een man kussen. Verder geen herenliefde in beeld. De moraal van de film: uit de kast komen leidt tot eenzaamheid, coke, disco en aids.

Niet zo’n leuke boodschap voor de jonge gays in de bioscoopzaal voor wie Mercury juist een rolmodel kan zijn. Verder doet ze af van het belang van Mercury’s extravagante persona voor de band. Mercury over the top? Zeker, maar de muziek van Queen was ook over the top. Queen was een band waarbij de parodie al was ingebakken. De campy overdrijving hoorde erbij. En ook de seksuele ambiguïteit: toen Mercury in 1978 voor het eerst in zijn leren pak verscheen, vond de blij verraste hetero-fan bij de elpee Jazz een poster ingesloten van naakte meisjes op racefietsen die hij met een gerust hart in de autogarage kon ophangen.

Lees hier de recensie van ‘Bohemian Rhapsody’

En ging het werkelijk bergaf met Queen doordat Mercury fratsen kreeg? In populariteit zeker niet. Queen kreeg pas echt wereldroem in 1985, na hun tv-concert op het festival Live Aid. In de film is dit het eindpunt. Artistiek gezien was het in 1980 al afgelopen met de band. Maar dat had niet zoveel met Mercury’s veranderde gedrag te maken. Net als vele popartiesten uit de jaren zeventig, had Queen moeite om de omschakeling naar de jaren tachtig te maken. Nee, niet Freddie’s snor en zijn leren pet verpestten het voor Queen, maar de aanschaf van een partij goedkoop klinkende synthesizers.

Het lijkt alsof Mercury vrede had met zijn geaardheid. Hij kwam nooit publiekelijk uit de kast, maar hij maakte er ook geen geheim van. Op het podium en daarbuiten was het zichtbaar voor iedereen die het wilde zien. Net als later George Michael vond hij het verder een privézaak. Een dag voor zijn dood in 1991 maakte hij bekend dat hij aids had.

Ook met zijn Parsi-achtergond heeft hij zich verzoend. Zijn uitvaart was in de zoroastrische traditie van zijn ouders. Op zijn gedenksteen staat zijn geboortenaam: Farrokh Bulsara.

Luister hier naar het beste werk van Queen:

    • Wilfred Takken