Gevaar

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 3: Vissen vrouwen niet?

Sommige vissers lijken levensmoe. Ik ben er zo een. Ik heb geslingerd over aalgladde keien van de Merwede; ik huppelde over bloedlinke taluds langs de Nieuwe Waterweg; over smalle balken en brugpalen boven de Waal en Rijn klom ik als een aap; ik kuierde bij windkracht 8 over de kusten van de Maasvlakte en Westkapelle; ik klauterde over door razende golven overspoelde pieren en havenhoofden bij het Haringvliet en Neeltje Jans. Op al deze suïcidale stekken stond ik met stok en haak te hengelen naar vis. Gehurkt op een steenblok. Balancerend op één been. Hangend aan een paal. Van de week nog. Hoe vaak niet gleed ik uit, verzwikte m’n enkel, klapte tegen golfbrekers, donderde in het water, hees mezelf eruit en scharrelde weer onvervaard rond. Want: geen grotere blijdschap dan de vissenhap.

Ik woon al veertig jaar in Nederland, maar sinds m’n visverslaving ontdekte ik pas de pracht van ons landschap. De viszucht jaagt me kriskras door het land, langs polders en plassen. Met een zuidwester op een bootje in het Grevelingenmeer lijk ik een baarlijke Zeeuw. Verscholen tussen het riet langs het Reitdiep lijk ik een struikrover uit Ali Baba. Geen diepere band met het land dan met een stok in de hand.

De hengelarij bracht mij vele inzichten, waaronder deze: vrouwen vissen niet. Tijdens al mijn rooftochten kwam ik welgeteld tweemaal een vrouwelijke gildebroeder tegen. Van wie er een op een Rotterdamse dokwerker leek; pas toen ik wat gemompel hoorde over ‘klotepieren’ begreep ik dat die kerel verderop geen kerel was.

Waarom vissen zo weinig vrouwen? Niet omdat ze niet levensmoe zijn. De enkele keer dat ik een vriendin zover kreeg, werd mij algauw duidelijk dat ze niet meeging voor de vis. Maar helaas, iets anders dan een oude bamboehengel had ik niet voor haar in petto. Vissen praten niet. Vissers nog minder. Nu en dan vernam ze een dierlijke kreet uit m’n mond, daar moest ze ’t mee doen. Ze verveelde zich dood en is nooit meer meegegaan.

Vissen is jagen, en jagen, zegt men, is iets voor mannen en niet voor vrouwen. In ons genderneutraal mallotig tijdperk moet je oppassen met zulke beweringen, en toch snapt elke boerenkinkel meteen wat je bedoelt. Maar het klopt niet. Vrouwen jagen als de neten. Ze vissen nog beter dan mannen. Ze doen het alleen slimmer, via een omweg. Ze jagen niet rechtstreeks, door de prooi direct aan de haak te slaan, nee, ze stellen het aas op zo’n manier in het (vooruit)zicht dat de vis vroeg of laat vanzelf hapt. Zie hier de tactiek van de ware visser! Ik wil maar zeggen, mannen vissen in het water, vrouwen vissen op het land. Ik weet niet wat vruchtbaarder is.