Opinie

    • Marjoleine de Vos

Zoeken naar iets echts om van te houden

Een mooie oktobermorgen, het zonlicht wazig op de ruggen van een paar ruige koeien, de molen en de kerk spreken van eeuwenlange bewoning hier, er is iets pittigs in de lucht. Ja denk ik, in een soort vernederlandst Afrikaans: Ik geniet dit! En dan begint het prijzen van de dag, de plaats, het hier-zijn enzovoort.

Schijnt te moeten, van mij, van de tijdgeest, van al wat boeddhistisch-mindful-filosofisch-in-het-nu wil zijn. Er zijn momenten van grote heerlijkheid, jazeker.

Maar wat neem je daar nu van mee? Ben ik vandaag in een beter humeur omdat de dag zo begonnen is?

Twee dorpsgenoten van rond de tachtig wonen al sinds het begin van de zomer in hun tuinhuisje omdat hun huis gesloopt is en opnieuw gebouwd wordt (aardbevingsschade). Loop even mee, zei de man hartelijk. Graag, want ik was nieuwsgierig hoe ze daar zaten in die tuin.

Het paradijs. Fruit- en loofbomen, bloemperken, uitzichten vanaf de wierde, een houten tafel buiten met een mand appelen erop, hun bedden in het piepkleine huisje – dacht aan Nijhoffs ‘Het bruidje’: „Ziet, achter haar ligt het eenvoudige huis/ Tusschen bloemperken op een groene heuvel.” Ze straalden geluk uit en zeiden dat ze een heerlijke zomer hadden gehad en dat het nu nog steeds heerlijk was en ik, comfortabel in mijn huis met warm water, bibliotheek en gasfornuis, benijdde ze onuitsprekelijk. Zó te leven! Zo op te gaan in de zelfaangelegde weelde van slakropjes en Oost-Indische kers, van een stoel onder de appelboom. (Ja, dan is het weer Kopland die je hoort zeggen: „gelukkig kwam er iemand naast mij/ zitten, om precies te zijn jij/ was het die naast mij kwam/ onder de appelboom, zeldzaam/ zacht en dichtbij/ voor onze leeftijd.”)

Thuisgekomen wilde ik meteen verhuizen naar een heuvel met fruitbomen en bloemen en toen gaf ik mezelf een klap en zei: kijk verdorie eens naar buiten! En daar lag de tuin, er bloeiden rozen, rode appeltjes hingen aan de bomen, en achter het weiland rees de wierde waarop de geluksvogeltjes zitten – net zo gelukkig als ik.

Pff. Laat het je inspireren, zei ik tegen mezelf. Draag ze nu eens mee, al die momenten waarop het leven goed is, waarop je even niet de krant leest vol ongeluk en dreiging, geniet van de zon in plaats van het klimaat angstaanjagend te horen brommen, vind in de stad waar het verkeer maar voort stroomt, waar reclames gillen dat je van alles nodig hebt, winkels uitzinnige prijzen vragen voor overbodige dingen, ook de rust in de beelden die je nu opdoet.

Ja, zo spreekt men zichzelf toe want een mens moet zichzelf op het rechte pad houden. Niet steeds aan die andere regels van Nijhoff denken: „wij voelden hoe een groot/ Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de/ Vaart van de tijd ons droegen naar den dood.”

Niemand praat meer een beetje vrolijk over de toekomst. Noch over het heden. Of hebben we dat nooit gedaan? Het laatste nummer van het tijdschrift Nexus is gewijd aan de ‘beat-generation’, jonge mensen die geboren werden tijdens de Eerste Wereldoorlog, die de crisis meemaakten, de Spaanse Burgeroorlog, de Tweede Wereldoorlog, de atoombom. Ze schreeuwden en dronken en scheurden door Amerika op motoren, ze schokten hun ouders. Maar ze wilden, schrijft een beschouwer over hen, vooral ergens in geloven. Ze zochten, net als mensen nu, naar iets wat overeind kon blijven, iets echts en waardevols, misschien iets om van te houden.

Een weiland in zondoorschenen herfstnevel. Tevreden mensen in een boomgaardje. Dit uitzicht. Deze dag. Dit leven.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos