‘We raken de taal van de religie kwijt’

Theoloog Stefan Paas De nieuwe Theoloog des Vaderlands waarschuwt voor het afbrokkelen van religie. Kerken moeten niet lijdzaam toezien, maar zichzelf vernieuwen.

Hoogleraar theologie Stefan Paas, zaterdag benoemd tot nieuwe Theoloog des Vaderlands. Foto Annabel Oosteweeghel

Na het schokkende nieuws – minder dan de helft van de Nederlanders is nog religieus, volgens het CBS – volgden vorige week meteen de nuanceringen. „Religie is niet identiek aan godgeloof”, schreef godsdienstfilosoof Taede Smedes in de Volkskrant; het kan zich ook uiten in „een gevoel van diepe verbondenheid met al wat is”. In NRC noemde dominee Pieter Lootsma mindfulness en paardrijden als voorbeelden van religieuze ervaringen.

Wat zij zeggen is: religie verdwijnt niet, ze verschuift: van godsdienst binnen het verband van de kerk, naar meer individueel beleefde spiritualiteit.

Stefan Paas, de nieuwe Theoloog des Vaderlands en hoogleraar theologie aan de Vrije Universiteit, heeft weinig op met dit soort redeneringen. Ze verdoezelen volgens hem dat religie wel degelijk terrein verliest, en dat wat ervoor in de plaats komt een heel ander karakter heeft.

Maar wat ís religie dan eigenlijk? Hoe kan het dat Smedes en Lootsma de grens ergens anders trekken dan Stefan Paas? „Godsdienstwetenschappers verschillen daarover onderling ook van mening”, zegt Paas meteen. „Er zijn er die religie zien als het geloof in hogere machten, zoals goden en geesten. Maar dan heb je het probleem dat goden in sommige religies, zoals het klassieke boeddhisme, niet zo’n rol spelen. Anderen kijken vooral naar religie als toewijding aan iets wat je voor absoluut houdt. Die toewijding moet dan gepaard gaan met bepaalde handelingen en rituelen.”

Omdat de definities zo van elkaar verschillen is het zinniger religies te beschouwen als een groep waarbinnen, in de woorden van de filosoof Wittgenstein, ‘familiegelijkenissen’ voorkomen, zegt Paas. Dat betekent dat de verschillende vormen van religie op elkaar lijken, maar niet alle dezelfde eigenschappen hebben.

Maar ja, zonder duidelijke definitie krijg je dus „mensen die vinden dat iets al religieuze kenmerken heeft als er rituelen zijn en bewustzijnsverruiming”, in Paas’ woorden. Daar verzet hij zich tegen: „Wie zegt dat er buiten de kerk ook veel religie is, relativeert daarmee de afbrokkeling van het geloof. Terwijl ik zeg: buiten de instituties vind je wel mensen die zich spiritueel noemen, maar je vindt er weinig christendom.”

Dat komt, zegt Paas, doordat religieus zijn net als vioolspelen of volleyballen iets is wat je moet oefenen. Het is maar weinigen gegeven dat uit zichzelf, los van de instituties te doen. „Er wordt gezegd: de mens is een religieus wezen. Maar als dat niet gestimuleerd wordt, dan gebeurt er niet zoveel mee. Wat dat betreft is het net zoiets als taal. Als een kind bij de wolven opgevoed wordt, dan leert het ook niet praten.”

Dat beeld van die wolven gebruikt Stefan Paas graag. Hij betreurt het dat veel kinderen tegenwoordig in religieus opzicht „opgroeien als wolvenkinderen”. Niet alleen zijn ze niet gelovig, ze hebben überhaupt bijna geen kennis van religie. Kennelijk vinden hun ouders religie niet de moeite waard, concludeert Paas. „Dat is zonde, want Nederland is een seculier eilandje in de wereld. Dan kun je superieur doen, of je kunt je afvragen: missen we misschien iets, zouden we niet moeten proberen die andere mensen, en ook ons eigen cultuurgoed, te begrijpen?”

De oorzaak van de onverschilligheid zoekt Paas in de voorheen dominante positie van het christendom. „De argwaan die mensen voelen heeft te maken met die geschiedenis van macht en de ervaringen van verstikking. Ook ik verlang absoluut niet terug naar een tijd waarin de kerk zo machtig was. Maar het effect van de ervaringen van die generaties bij wie de weerstand zo diep zat, is dat door hen de taal kwijt is, de bagage. Elk cultuurgoed staat of valt met overdracht op de volgende generatie. Het duurt heel lang om het op te bouwen, en je maakt het zo ongedaan.”

Zo wordt het bijna onmogelijk voor kinderen zonder religieuze achtergrond om het later nog op te pakken, zegt Paas. „Bij mijn eigen kerk komen soms jonge mensen zonder christelijke achtergrond, die vinden de taal ontoegankelijk. Ze hebben wel een bepaald verlangen, maar de antenne ontbreekt nog. Het is alsof je op je twintigste moet leren volleyballen: het is niet onmogelijk, maar moeilijker dan als je op je vierde begint.”

Ruimte voor twijfel en kritiek

De remedie is voor Stefan Paas duidelijk: kerken moeten niet lijdzaam toezien, maar zichzelf „versterken en vernieuwen”. Als hoogleraar missiologie onderzoekt hij onder andere het gevolg van ‘kerkplantingen’, de stichting van nieuwe kerkgemeenschappen zoals in de Amsterdamse Bijlmer. Die blijken goed in het aantrekken van mensen die nog niet bij een kerk zaten, vertelt hij: „Uit onderzoek blijkt dat die nieuwe kerken vijf keer zoveel nieuwe mensen trekken als de oude. Het gaat maar om een paar honderd mensen per jaar, maar sinds de oorlog is zulke groei niet meer voorgekomen.”

De nieuwe kerken onderscheiden zich volgens Paas doordat de voorgangers energieke types zijn: „Vaak jonge mensen, eind twintig, begin dertig, creatief, ondernemend ingesteld.” Ze experimenteren meer, onderhouden bijvoorbeeld relaties via sociale media en organiseren meer interactieve diensten. „Jonge mensen gaan niet naar de kerk om te horen wat de dominee of de priester nou weer heeft bedacht, ze willen betrokken zijn en iets bijdragen. Ze mogen dus meepraten, er is meer ruimte voor twijfel en kritiek.”

Lees ook: ‘Ik proef steeds minder weerstand tegen religie bij onze generatie’

Zelf hielp Paas zo’n jonge kerkgemeenschap stichten, een christelijk gereformeerde in Amsterdam. Eerst zaten ze in een oude kerk, toen in een oud schoolgebouw, nu delen ze een locatie met een bioscoop annex restaurant. Dat is gebruikelijk bij nieuwe gemeenschappen, die vaak maar tussen de vijftig en honderd mensen tellen, zegt Paas. Aan de religieuze ervaring doet dat volgens hem niets af. „In de kerk heb je als individu een lijntje met het hogere, het gebouw is daarop gericht, met z’n torenspits. Dat is mooi, maar in het schoolgebouw kregen we meer het gemeenschapsgevoel: het nodigt uit om je heen te kijken, vriendschappen te sluiten.”

Die nieuwe vormen en plekken zijn trouwens niet de enige verandering binnen de kerken, zegt Paas: het christelijke leven in de steden is ook véél multicultureler geworden. „De komst van migranten heeft een enorme impuls gegeven, vooral aan de katholieke kerken. Veel parochies die op sterven na dood waren, bruisen weer, door de komst van Polen bijvoorbeeld, maar ook door migranten uit Afrikaanse landen. Toen de Bijlmer werd gebouwd was er niet één kerk gepland, want het christendom was achterhaald, dacht men toen. Nu is dat het meest christelijke stukje van Amsterdam.”

    • Floor Rusman