Rond Johannesburg was het land niet leeg

Lost City

In Zuid-Afrika is dankzij nieuwe technieken een tot nu toe onbekende stad in kaart gebracht. Kweneng dateert uit de 15de eeuw en rekent af met de mythe dat de Europese kolonisten in de 19de eeuw leeg land aantroffen.

Professor Karim Sadr in Johannesburg: „Hier lag een complete stad, van tenminste 10.000 inwoners” Foto Jeffrey Barbee

Professor Karim Sadr gaat al jaren graag wandelen in het natuurreservaat Suikerbosrand, ten zuiden van Johannesburg. Regelmatig legde hij zijn handen op de kringen van opgestapelde stenen die tussen het gele gras verborgen liggen. Pas toen hij, uit verveling, zijn wandelroute met Google Earth bestudeerde, begon hem te dagen dat de stenen niet zomaar de eeuwenoude resten waren van een paar vergeten nederzettingen. Het was een complete stad.

„Ik zag wegen, terrassen, veestallen, verspreid over een uitgebreid gebied”, vertelt hij, struinend door de uitgestrekte velden van het reservaat. Sadr trok 15 studenten aan, die met hem een gebied van meer dan 9.000 vierkante kilometer bestudeerden. En ze huurden een vliegtuig dat een gebied van „20 vierkante kilometer” met laserstralen „bombardeerde”. Met deze zogeheten Lidar-technologie werden eerder complete Mayasteden, verborgen in het oerwoud van Centraal-Amerika, in kaart gebracht.

De resultaten van het Lidar-onderzoek waren onmiskenbaar. „Hier lag een complete stad, van 5.000 tot 10.000 inwoners”, zegt een breeduit lachende Sadr. De eerste stenen werden volgens hem al in de 15de eeuw gelegd. Dat was ruim vier eeuwen voordat de eerste Europese kolonisten in 1836 arriveerden in het gebied dat nu Johannesburg wordt genoemd.

De ontdekking van deze grote stad in Zuidelijk Afrika heeft tot ver buiten het continent tot opwinding gezorgd. „Dit verandert alles”, zegt professor Jan-Bart Gewald, directeur van het Afrika Studie Centrum in Leiden. „In Nederland hoor je tegenwoordig ook weer de mythe herhaald dat de Europeanen in leeg land aankwamen, begin negentiende eeuw. We hadden al wel historische bronnen die spraken over 2 kleine steden aan de rand van de Kalahari-woestijn (ten noordwesten van Johannesburg). We wisten van rondzwervende veehouders. Maar niet van een hele agglomeratie, een stadsstructuur op de plek waar nu Johannesburg ligt.’’

Screenshot van een animatie van het gebied. Stephen Banhengyi

Koloniaal landjepik

De mythe dat de Europese kolonisten in leeg land aankwamen, werd in de geschiedenisboeken tijdens het apartheidsregime (1948-1994) gebruikt als rechtvaardiging voor koloniaal landjepik. De eerste witte missionarissen spraken weliswaar over rondreizende Khoi en San nomaden, en kleine dorpjes van Tswana’s en Sotho’s, maar Johannesburg werd pas een stad na de vondst van goud in 1886, volgens die lezing.

Als gevolg van de Landwet van 1913 en apartheid werden naar schatting 3,5 miljoen zwarte Zuid-Afrikanen uit de stadscentra verdreven, naar wijken als South Western Township (Soweto), de verpauperde Cape Flats bij Kaapstad of onvruchtbare ‘thuislanden’ als Transkei, waar Nelson Mandela opgroeide.

Karim Sadr, een Duits-Iraanse professor die aan de Southern Methodist University in Texas werd geschoold en een leerstoel heeft aan de Witwatersrand Universiteit in Johannesburg, was er niet op uit om die apartheidsmythes te ontmaskeren. Hij volgde enkel zijn interesses in het gebied waar hij toevallig vaak kwam en waar vanaf de jaren 60 collega-archeologen ruïnes hadden bestudeerd.

Zijn studenten hebben inmiddels duizenden structuren in kaart gebracht, in een gebied dat strekt van Johannesburg tot aan de grens met Botswana. Maar nergens zagen de archeologen dezelfde stadsstructuur als in Suikerbosrand, op de plek die de wetenschappers nu Kweneng noemen.

„De stad had uitstekende landbouwgrond, een goed klimaat van natte zomers en droge winters en heuvels die je mijlenver uitzicht gaven over eventuele vijanden”, legt Sadr uit. „Om heel eerlijk te zijn, zou ik er best mijn pensioen willen uitzitten. Zo mooi is dit gebied.”

Zijn vondst is niet enkel interessant voor wetenschappers, maar van grote betekenis voor de Bakwena-gemeenschap, Tswana’s wier voorouders in het land bij Suikerbosrand liggen begraven.

„We vechten al ruim 19 jaar voor teruggave van ons land. Tegen mensen die ontkennen dat wij al eeuwen in dit gebied zijn”, zegt Jacob Ngakane. Hij is op een zondagochtend met tientallen andere leden van de gemenschap naar een begraafplaats gereisd waar de Bakwena sinds de 17de eeuw begraven liggen.

Leden van de Bakwena-gemeenschap bidden voor ze het gebied van hun voorouders betreden. Foto Jeffrey Barbee

Jan van Riebeeck

„Behalve deze graven is er nu de technologie van Witwatersrand Universiteit die de verhalen bevestigt die we al generaties aan elkaar vertellen”, zegt hij. Hij wil het dan ook geen ‘ontdekking’ noemen, zoals de Culemborgse domineeszoon Jan Van Riebeeck in 1652 de Kaapkolonie in de koloniale vertelling ‘ontdekte’. „Van Riebeeck ontdekte helemaal niks. Wij waren hier al. Wij zijn hier altijd geweest. En we zullen nergens heen gaan”, zegt Ngakane.

Achter zijn rug zoeken familieleden naar de graven van hun overleden grootouders. Een oude man wijst de plek aan waar hij begraven wil en zal worden. Naast zijn zus. „De Zuid-Afrikaanse regering wil doen geloven dat de Bakwena slechts individuele families waren, die her en der verspreid over dit gebied woonden. Maar wij hebben altijd gezegd dat we een grote welvarende gemeenschap waren. Het probleem is dat we alleen de orale geschiedenis hadden, de verhalen die aan elkaar vertelden. Nu is er fysiek bewijs”, zegt Abisael Mogagabe. Veel grafstenen dragen de naam van zijn familie.

Bekijk hieronder de video die de BBC maakte:

De Bakwena-stad Kweneng werd uiteindelijk rond 1820 verwoest, in een oorlog met Mzilikazi kaMashobane, een luitenant van de Zulu-koning Shaka. Professor Karim Sadr spreekt over een „bloedbad”, dat in de geschiedenis wordt beschreven als de ‘Dificane-oorlogen’. „De eerste Europeanen kwamen pas aan na deze verwoestingen, daarom bestaan er geen officiële beschrijvingen van Kweneng”, legt professor Saïd uit. In de koloniale beschrijvingen uit die tijd ontdekte hij de neiging iedere vondst van pre-koloniale beschaving te kleineren. „Steden werden beschreven als dorpen, koningen als chiefs. Alleen de missionaris Robert Moffat heeft in 1820 al over „een metropool”, die hij aan de rand van Kalahariwoestijn tegenkomt. ‘Een stad zover mijn oog reikt’.’’

Volgens Jan-Bart Gewald van het Afrika studiecentrum in Leiden is het daarom noodzakelijk de hele geschiedenis van Zuidelijk Afrika met nieuwe ogen te bekijken. „Ik wil helemaal opnieuw beginnen met kijken naar archeologische vondsten. Met een schone lei. Zonder de lens van vroeger, die is vervuild door de apartheidsideologie. Ik wil opnieuw kijken wat de archeologie ons laat zien. En pas dan gaan invullen.”

    • Bram Vermeulen