Opinie

    • Auke Kok

Pril geluk, daar gaat niets boven

Het Beatrixpark is een mooi, romantisch park, daar vertel ik niets nieuws mee. En op deze middag, die voelt als de laatste zondagmiddag van een langgerekte zomer, ligt het grasveld er weids, melancholisch bij. Ik zit op een bankje en moet kijken naar een jong stel, een kinderwagen, een kind. De moeder zit schrijlings in het gras, klapt in haar handen terwijl haar zoon, een dreumes, een soort van wiegt op kromme beentjes. De vader, type stoer met achterstevoren pet, leest iets. Ik kan niet horen wat ze zeggen, of zingen, de contouren zeggen mij genoeg. De contouren zingen.

De oktoberzon trekt lange banen door het park en het gezinnetje laaft zich aan de warme wind, nu het nog kan. Dreumes valt, moeder heft haar armen van ááááh! Vader kijkt op, leest verder. Niets aan de hand natuurlijk. Of juist wel: een vrouw op een andere bank zit eveneens te kijken naar het tableau vivant van kinderwagen met ouders, alsof de aanblik haar gevangen houdt.

Pril geluk, daar gaat niets boven.

Je kan cynisch zijn en zeggen: geniet nu maar, straks piep je wel anders. Meer dan een op de drie huwelijken strandt. Zeker in Amsterdam, hof van alleenstaanden. Een kwart miljoen eenpersoonshuishoudens telt de stad nu al en naar verwachting zal dat de komende jaren verder groeien. Ook stijgt het percentage echtscheidingen almaar door. Meest opgegeven oorzaak: botsende karakters. Misschien stemt juist dat het beeld van dreumes met ouders weemoedig: hier botst niets. Een kreetje van de moeder stijgt uit boven het ruisend verkeer, boven de vogels in het park – een mooi kreetje dat aangeeft hoe eenvoudig het leven zijn kan.

De vrouw op de andere bank vergeet dat ze aan het lezen was; haar tablet ligt verweesd op haar schoot.

Hoeveel jonge gezinnen zijn hier gelukkig geweest? In de tachtigjarige geschiedenis van het Beatrixpark moeten dat er tallozen zijn geweest. Ze zullen niet de laatsten zijn. Maar toch. Achter het groen – hier en daar al geel – doemen de glazen reuzen op, de kantoren van de Zuidas die alles anders zullen maken. Na de ondertunneling van de Ringweg Zuid zal het park groter worden, alles zal groter worden, en wat fijn dus dat hier alles klein is. De stad atomiseert maar de ouders en het kind zijn één, verbonden in hun zelfgesponnen cocon van hoop.

Het loopt tegen zessen. Avondfrisheid ritselt door de struiken als de man in zijn driekwartbroek en de vrouw in haar bleke jeans de speeltjes opruimen. Jochie wil niet in de wagen. Moeder tilt hem op. Vader duwt de lege wagen door het gras, dat al zachtjes begint te glimmen. Niemand zegt iets, in stille harmonie loopt het gezinnetje naar de klinkers, en verdwijnt. Hoe akelig leeg en koud nu het gras.

Ik kijk opzij, de vrouw op de andere bank is weg. Ze wilde het vertrek niet aanzien, natuurlijk. Zo’n vrouw is ook maar een mens.

Auke Kok is schrijver en journalist.
    • Auke Kok