Recensie

Meer dan alleen een werkgever

Industriële historie

Stork, Van Heek en Hoogovens: drie industriële pioniers in Nederland die door sociaal ondernemerschap aan elkaar worden verbonden.

Loopjongens in cilindervoeringen voor dieselmotoren, jaren 30. Foto Stork

Ze noemden zich ‘ijzermotten’. Of liever nog: Storkianen. Want ze werkten ‘bij Stork’, de fabriek in Hengelo, die machines, ketels en pompen maakte, en ook complete suikerfabrieken in Nederlands-Indië neerzette.

Bij Stork zat je gebeiteld als arbeider. Vandaar de naam van het boek bij het 150-jarig bestaan. „Stork was meer dan een fabriek en meer dan een werkgever”, schrijven de inleiders in Bij Stork . „Het was een manier van leven en werken.”

Stork (opgericht in 1868) was een klassiek familiebedrijf. Met een grondlegger (Charles T. Stork). Een of meer families die het kapitaal leverden. Familieleden die de leiding hadden. En de leiding die een familiale sfeer in het bedrijf wilde scheppen.

Op een feest bij de levering van de honderdste stoommachine in 1873 zei grondlegger Stork: fabrikanten en arbeiders zijn aan elkaar gelijk. „De werkman moet vertrouwen dat de fabrikant (...) het goed met hem meent (...) dat hij (hem) als zijn naasten beschouwt, als een mensch door God geschapen en niet als een machine.”

Het familiebedrijf was toen, en nu, de oervorm van de meeste ondernemingen. Dat gold zeker voor de industriële pioniers in het laatste kwart van de 19de eeuw in Twente.

De pioniers keken de kunst af in Manchester, het hart van de industriële revolutie. Desnoods tekenden ze daar een machine om die in Nederland na te maken. Zij stuurden zoons daarheen om de praktijk te leren.

Charles Stork was 46 jaar toen hij na een fabrikantenloopbaan in de textiel de metaalfabriek Gebr. Stork & Co in Hengelo oprichtte. Hendrik Jan van Heek was 43 toen hij de gelijknamige textielfabriek in Enschede begon. Over zijn fabriek verscheen onlangs Van Heek & Co. Honderd jaar textiel, 1859-1959. Geschreven door de verder onbekende Wim van Nimwegen. Een curiosum. Van Heek sloot in 1967. Een slag voor Enschede. Toen werkten er 1.700 mensen. Van Nimwegens boek had het eeuwfeest van 1958 luister moeten bijzetten. Maar het manuscript bleef ongepubliceerd en werd in 2003 bij toeval gered door een nieuwsgierige archivaris.

Paternalistische voortrekkers

Van Heek en Stork waren verlichte, paternalistische werkgevers die voortrekkers waren in sociaal beleid: eigen ziekenfonds, pensioenregeling, eigen scholen. Bij Stork legden de eigenaren in de loop der jaren ook geld op tafel voor een bibliotheek, een ziekenhuis, een zwembad.

Later, toen ze hun fortuin hadden gemaakt, schonken ze hun gemeenten wandel- en sportparken. Dan kon de arbeider ook van frisse lucht genieten.

De industriëlen waren rijk, maar hoe rijk? Cijfers ontbreken.

Hun rijkdom kun je nu nog aflezen aan hun imposante buitenhuizen in het glooiende Twentse landschap waar ze regelmatig ook personeelsfeesten hielden.

Stork werd in zijn sociale innovaties beïnvloed door zijn vriendschap met Jacques van Marken van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek in Delft. Van Marken was ook een opdrachtgever van het eerste uur van Stork. Hun sociaal beleid was hun ondernemersfilosofie, maar ook hun eigen belang. Ze moesten hun vaklieden binden. Zij waren tot dan toe afhankelijk van Engelsen en Duitsers.

Stork propageerde ook scholing voor kinderen en botste met de liberale minister Samuel van Houten. Stork vond dat kinderen beter bij hem op school konden zitten en in de fabriek werken. Dan leerden ze wat. In plaats van thuis te zitten of op straat te zijn.

De oprichters-fabrikanten mochten dan begaan zijn met het lot van hun werklieden, hun sociale beleid stond wel ten dienste van de groei van productie én van de sociale cohesie. „Allen voor elkaar, geen strijd maar samenwerking”, was het Storkdevies. Zaten de arbeiders daar op te wachten? Soms niet. Bij Van Heek viel de oprichting van een eigen ziekenfonds niet meteen in goede aarde. Arbeidsonrust volgde. Want de arbeiders moesten eraan meebetalen.

De industriëlen betaalden stukloon. Dan was de productie hoger. De werkomstandigheden waren soms belabberd. Van Heek had een wachtlijst voor nieuw personeel. Want de lonen waren aantrekkelijk. Van Nimwegen: „Menigeen zal dan ook door vertwijfeling zijn bevangen als hij daar in de kille vochtige weefkamer een dag voor het getouw zijn best zat te doen om te wennen aan het eentonige werk in het schemerige vertrekje.”

Nee, dan de stoommachine. Dat was het troetelkind in elke fabriek. „De werkplaatsen mochten nog zo vies en bedompt zijn, zo’n stoommachine stond glimmend en blinkend opgesteld in een keurig betegelde, schone ruimte”, beschrijft Bij Stork. De eigenaar gaf z’n nieuwe machines ook een naam – bij voorkeur die van vrouw of dochter.

Bij elkaar in trouwen

Wat Brainport in Eindhoven nu is, was Twente toen: een sociaal-economisch-politiek complex van relaties. Families trouwden bij elkaar in om nieuw kapitaal aan te boren en om kapitaal in hun bedrijven te behouden. De fabrikanten hielden namelijk niet zo van externe beleggers. Dan moesten zij de macht uit handen geven. Ze hielden het kapitaal liever in de firma dan beleggingskapitaal via de effectenbeurs aan te boren. Daarom had financiering van banken hun voorkeur: dat was geld zonder zeggenschap. Sterker nog: Stork en Van Heek namen zelf deel aan de oprichting van hun ‘eigen’ regionale bank, de Twentsche Bankvereeniging, een voorloper van wat nu ABN Amro is.

De familie Stork was ook een kapitaalverschaffer in een van de grootste Nederlandse ‘start-ups’ van de 20ste eeuw: Hoogovens. In 1918 legde een groep industriëlen, aan hen gelieerde bedrijven, de rijksoverheid én de gemeente Amsterdam 25 miljoen gulden (ruim 11 miljoen euro) op tafel.

Overheid en bedrijfsleven wilden niet nog eens, zoals in de Eerste Wereldoorlog, buitengesloten worden door leveranciers in Duitsland en Engeland.

De expansie en de bedrijfsfilosofie van Hoogovens sloten nauw aan op die van Stork en Van Heek, zo blijkt uit het 100-jarig jubileumboek Door staal gedreven. Hoogovens manifesteerde zich vanaf het begin als een sociaal werkgever. Net als Van Heek en Stork begonnen de pioniers op woeste grond, maar stond de fabriek al rap naast een boomtown. Net als Stork en Van Heek bouwde Hoogovens zelf woningen om een deel van de toestroom van arbeiders te huisvesten. Net als in Twente vormde het landschap zich rondom de IJmond naar de uitbreiding van de industrie: (water)wegen, spoor, schoorstenen, fabriekscomplexen.

Door staal gedreven is het derde jubileumboek over Hoogovens, al bestaat de fabriek onder die naam niet meer. In 1999 fuseerde Hoogovens met British Steel (Corus). In 2007 volgde overname door Tata. Nu is het bedrijf deel van de Europese staalfusie met ThyssenKrupp.

De recente geschiedenis van Hoogovens begint in 1982 als de fusie met de Duitse concurrent Hoesch na tien jaar ontbonden is en de economische crisis van begin jaren tachtig het bedrijf met de rug tegen de muur heeft gezet. In 1982 zet de rijksoverheid een steunactie op touw ter waarde van omgerekend 450 miljoen euro. De overheid koopt ook aandelen. Het zal een van de minst bekende, maar meest geslaagde overheidsinterventies van de laatste decennia blijken.

De economische en politieke trends drukken hun stempel op Hoogovens. Zoals de verschuiving van fundamenteel naar toegepast onderzoek. De ingrijpende rol die klanten in het productieproces gaan spelen. De opkomende markten en de efficiencydwang om kosten te verlagen.

De drie rijk geïllustreerde boeken tellen op tot 350 jaar industriële historie. Zij verschillen in reikwijdte en stijl. Door staal gedreven is chronologisch opgezet, strak geschreven, met de wat afstandelijke toon die je van de wetenschappelijke auteurs verwacht. Bij Stork is meer een mozaïek, met royale aandacht voor de oprichtersfamilie, de wisselwerking met Hengelo en de uitbundige sociale rol van de fabriek. De saneringen en de recente opsplitsing van het concern inspireerden de auteurs minder.

Van Heek is een aan de vergetelheid ontrukt pionierssucces dat kundig en liefderijk geschikt is gemaakt voor publicatie nu.

In de verscheidenheid zie je in elk geval één rode draad die des te meer opvalt, omdat die een beetje uit de mode is: de sociale ondernemer. „Wij moeten”, stelde Hoogovens-directeur Dolf Kessler na de startfase „de wetgever op sociaal terrein steeds een stapje vóór zijn.”

    • Menno Tamminga