Zachte nachtwind in de langsrichting van het beekdal

Alledaagse wetenschap Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen. Deze week op vreemde, nachtelijke lichtverschijnselen op een tentdoek.

De man, zijn tent en het beekdal.

Vandaag gaat het over de belevenissen van de man die op 13 oktober aan zijn jaarlijkse kampeertochtje in de Belgische Ardennen begon omdat de weersvoorspellers fris en wisselvallig weer voorspelden. Een welkome onderbreking van een nazomer die maar niet wilde ophouden. De keuze viel op het westen van de Ardennen; in de donkere, vochtige bossen van het oosten heerste Afrikaanse varkenspest.

Huy was het startpunt, vandaar zou het verder gaan naar het zuidoosten, zoveel mogelijk buiten dorpen en dorpjes om. In frisse wisselvalligheid.

Maar het weer dat op 14 oktober zou omslaan sloeg niet om. De temperaturen liepen hoger op dan ooit tevoren en er viel geen spatje regen. Steeds duidelijker werd ook dat het al vele weken niet geregend hád: de meeste beken en beekjes stonden droog. Maar Belgen om water vragen is ook zo wat.

Zo nijpend werd het watergebrek dat in de late middag van de 14de is besloten gebruik te maken van de geschubde inktzwammen die zo welig in de bermen tierden. Oude survivaltip. De inktzwammen, of wat het waren, lieten zich willig stoven en daarbij kwam inderdaad verrassend veel vocht vrij. Bijna ging dit verloren toen een plotseling opstekende wind het kooktoestel omver woei.

Gelaafd ging het verder. Tegen donker kwam het dorpje Somme-Leuze in zicht, met daaronder de brede beek. Van het bruggetje over de beek voerde een modderig pad schuin omhoog naar een rustige bosrand, zevenhonderd meter verderop. Halverwege werd in het schemerduister nog een bejaarde dame gepasseerd die zich met behulp van een houten stok geroutineerd een weg baande. Haar jurk sleepte door de blubber en haar haar wapperden in de wind. Ze kwam uit het bos en wat ze in het voorbijgaan met zoveel nadruk zei bleef onduidelijk.

De tent kwam zó te staan dat-ie naar het noorden keek, naar Somme-Leuze met zijn straatlantaarns. Een korte maaltijd van instantsoep, worst en jenever, a long pee, een blik op de omfloerste maansikkel in het westen en daarna werd de dag afgesloten. Het was toen negen uur. De tent bleef half open. De wind viel weg en je hoorde niets meer.

Dat laatste duurde niet lang. In de loop van de nacht trokken opvallend veel zware vrachtvliegtuigen laag over de bossen. Ook heeft de Samsung-mobiel van tijd tot tijd een signaal afgegeven hoewel hij toch terdege was uitgeschakeld.

Hoe het zij: de nachtrust werd met regelmaat onderbroken. Daarbij kwam het tot een intrigerende waarneming, een waarneming aan de loshangende voorflap van de tent om precies te zijn. Op die flap, van dun ‘ripstop’ nylon, toonde zich bij het eerste wakker worden een patroon van lichte en donkere beweeglijke vlekken die langzaam voorbij dreven. Sprookjesachtig mooi. Bij het tweede ontwaken was het beweeglijke patroon er nog steeds, maar zat er geen drift meer in. Later die nacht verdween het. Het is stom geweest om de tent niet even open te gooien om te kijken wat hier aan de hand was.

Wat wás dit, is nu de vraag. Het waren zeker geen voorbijglijdende schaduwen opgewekt door koplampen van verre auto’s. Die zien er anders uit.

Na lang gepeins vormde zich de hypothese dat in de loop van de avond afgekoelde lucht langs de helling van het beekdal in de richting van de beek ging stromen. Tussen de tent en het dorp verzamelden zich luchtmassa’s (bellen of ‘cellen’) van verschillende dichtheid en lichtbreking die het licht uit het dorp meer of minder bundelden. Van tijd tot tijd schoof een zachte nachtwind, die in de langsrichting van het beekdal blies, de cellen opzij. Zou het kunnen?

Dat in heldere nachten met veel uitstraling lucht zó kan afkoelen dat die langs de helling van een beekdal naar de diepte glijdt staat wel vast. Minnaert vermeldt het in De natuurkunde van ’t vrije veld. In 2009 is het nog in detail beschreven door David Bodine en collega’s in de Journal of Applied Meteorology and Climatology. De Amerikanen bestudeerden een helling in Oklahoma die, ook qua bos en bomen, frappant lijkt op de helling bij Somme-Leuze. Omdat de zakkende koude lucht ook warme lucht uit bosschages meetrekt, ontwikkelt zich op weg naar de cold pool onderaan de helling een mengelmoes van luchtsoorten.

Kan die mengelmoes zo’n vlekkenpatroon opleveren? Geraadpleegde experts hebben hun twijfel. Fysicus Günther Können, al lang gefascineerd door lichtverschijnselen in de vrije natuur, gelooft er niet erg in. Fysicus Siebren van der Werf (auteur van Het Nova Zembla verschijnsel) heeft eraan gerekend en stelt de aanwezigheid van een inversie (een koude onderlaag) in de atmosfeer als voorwaarde. Die inversie was er vast wel. Maar was het genoeg?

Aardig genoeg kwam Minnaert dicht bij de kwestie toen hij ‘het fonkelen van aardse lichtbronnen’ besprak. Hij citeert Newton die in zijn vermaarde Opticks noteerde: „For the Air through which we look upon the Stars is in perpetual Tremor, as may be seen by the tremulous Motion of Shadows cast from high Towers, and by the twinkling of the fix’d Stars.” De trillende bewegingen van torenschaduwen? Minnaert zelf had het kennelijk nooit gezien. Wie wél, wilde hij destijds weten. Dat is alweer vijftig jaar geleden.

    • Karel Knip