Marc van Oostendorp: „Veel mensen hebben nooit geleerd te analyseren wat er wringt in een tekst. Ze kunnen hooguit iets zeggen over spelling. Daarom wordt er over dt-fouten, ook zoveel geklaagd, denk ik.”

Foto Merlijn Doomernik

Nederlands, wat is dat eigenlijk?

Marc van Oostendorp De studentenaantallen Nederlands dalen. Een tien halen voor het examen is vrijwel onmogelijk. Neerlandicus Marc van Oostendorp maakt zich zorgen over Nederlands in het onderwijs.

De Nederlandse taal… als die nou een dier zou zijn, wat voor dier dan? En wat voor dier was dan het Nederlands als schoolvak? Die vragen waren niet gepland, maar komen op een of andere manier op in gesprek met neerlandicus Marc van Oostendorp. Deze week hield hij zijn derde oratie. In 1997 werd hij hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, in 2007 in Leiden en vorig jaar vertrok hij naar de Radboud Universiteit in Nijmegen. „Door hoe het leven is gelopen, is het ook precies iedere tien jaar”, zegt hij. Lachend: „Als de pensioengerechtigde leeftijd nog een beetje wordt opgerekt heb ik er nog twee te gaan.” Hij is nu 50.

Zijn oraties gaan over drie heel verschillende onderwerpen, vertelt hij op zijn werkkamer aan het Meertens Instituut in Amsterdam, waaraan hij ook verbonden is. De eerste ging over Esperanto. „Er zijn wereldwijd zo’n duizend moedertaalsprekers van Esperanto. Dat is heel interessant: een bedachte, kunstmatige taal die voor sommige mensen de functie heeft van een gewone, alledaagse taal.” Zijn tweede oratie ging over dialecten. „Die gelden eigenlijk als het meest natuurlijke taalgebruik. De dialectologie kwam in de 19de eeuw op als een romantisch idee: onderzoeken hoe ‘het volk’ van nature praat.”

Taal zit altijd op een onduidelijke grens van natuurlijk en kunstmatig, zegt Van Oostendorp, en het is die grens die hem interesseert. „Aan de ene kant heb je het 19de-eeuwse idee dat taal een levend organisme is dat zich zelfstandig ontwikkelt. Aan de andere kant is taal ook deels afhankelijk van politieke beslissingen en van wat je leert op school.” En daar gaat zijn derde oratie over, over het belang van goed Nederlands in het onderwijs. Hij maakt zich er al jaren zorgen over, sinds hij in 2013 ontdekte dat je het centraal schriftelijk examen Nederlands het beste maakt als je braaf ráádt welke antwoorden de examencommissie wil horen, en dat een tien halen vrijwel onmogelijk is. En nu dalen de studentenaantallen Nederlands, en, vreest hij, dan wordt het onderwijs nóg slechter.

Het Nederlands als schoolvak is een ijsbeer in de dierentuin, concludeert hij. „Zo’n beest dat rusteloos heen en weer loopt achter de tralies. En ik weet eigenlijk niet zo goed wat het Nederlands is buiten die kooi.” Een wilde ijsbeer? „Ja, dat is dan het mooiste, hè?”

Een ijsbeer, dat klinkt… bedreigd. Tijd voor drie existentiële vragen over het Nederlands.

Wanneer ontstond het Nederlands?

„Het idee dat talen een soort telbare eenheden zijn – ‘ik spreek vijf talen’ – is een Renaissance-idee. Voor die tijd had je in Europa Latijn en volkstaal, maar die volkstalen vloeiden in elkaar over. Mensen merkten ongetwijfeld dat er, als je richting België reisde, op een bepaald moment een heel ánder soort volkstaal werd gesproken, maar richting Duitsland kon je lang doorreizen voor je dat idee kreeg.

„Volgend jaar gaat het nieuwjaarsboekje van het Meertens Instituut over de vele talen die in de 17de eeuw in Nederland werden gesproken. Ik heb een hoofdstuk geschreven over hoe schrijvers daarmee omgingen. Ik ontdekte dat Duits toen nog niet als een heel andere taal werd beschouwd. In kranten stonden advertenties om Engels, Frans en Italiaans te leren – nooit Duits. En Constantijn Huygens, de beroemde diplomaat en schrijver, had de eigenaardigheid om bij alle gesprekken die hij voerde in zijn dagboek op te schrijven in welke vreemde taal ze waren. Hij kon helemaal tot Bazel reizen zonder een taal te noteren. De scheiding tussen Nederlands en Duits is laat gekomen.

„Nu hebben we het gevoel dat talen afgebakend zijn, maar dat is geconstrueerd. In de 17de eeuw dacht men: we hebben een eigen land, dat moet een eigen taal hebben, en een eigen Bijbel, dus kwam de Statenvertaling. Mensen gingen ook bepalen wát dan Nederlands is. Moeten we zeggen ‘hij wast zich’, een oostelijke vorm, of ‘hij wast hem’, zoals ze in het Friesland nog steeds zeggen? Of ‘hij wast zijn eigen’, zoals in Holland? We leven nog steeds met de consequenties van die keuzes. De woordenschat moest ook verschillen van die van andere talen. Dus in de meeste talen zeggen ze zoiets als mathematica, maar wij zeggen wiskunde. Dat heeft Simon Stevin bedacht.

„En de grammatica moest mooi en edel zijn, en dus gebaseerd op het Latijn. Daar hebben we het verschil tussen hun en hen aan te danken. Dat komt van de grammaticus Christiaen van Heule, die probeerde voor de pronomina, de voornaamwoorden, het verschil tussen datief en accusatief opnieuw te introduceren. Van Heule vond ook dat er verschil moest zijn tussen hum en hem, maar dat is mislukt, dat weet niemand meer. Niemand ergert zich eraan dat in de krant staat: ik geef hem dat boek. Om de een of andere reden is het voor hen en hun wel gelukt, althans, daar zijn mensen zich vervolgens eeuwenlang zorgen over blijven maken. Het is niet gelukt in de zin dat het echt natuurlijke taal is geworden. Kinderen pikken het niet zomaar op; mensen die het weten zijn altijd op school geweest.

„Een derde regel die Van Heule heeft geïntroduceerd is het verschil tussen na en naar. Die betekenden hetzelfde, dat vond hij verwarrend. En dat is wel echt natuurlijk taalgebruik geworden, volgens mij. ‘Ik ga dat doen naar de lunch’, ‘ik ga na de stad’ – dat is niet mijn Nederlands. En dat heb ik niet op school geleerd.”

Foto Merlijn Doomernik

Wanneer verdwijnt het Nederlands? Bestaat het over 100 jaar nog?

„Dat is eigenlijk niet te voorspellen. De toekomst van een taal is zó afhankelijk van zó veel verschillende factoren! Is Nederland niet onder water gelopen, bestaat het als land nog? Maar goed, als dat zo is, wordt over honderd jaar nog wel Nederlands gesproken, want dat is niet zoveel tijd. Kinderen die nu in Nederland worden geboren leren nog Nederlands, en sommige van hen leven over honderd jaar ook nog. En ik denk ook wel dat het dan nog de dominante taal van de samenleving is. Onmiskenbaar wordt het Engels steeds belangrijker, al minstens sinds de Tweede Wereldoorlog, maar ik denk dat we toegaan naar een samenleving waarin beide talen naast elkaar kunnen bestaan.

„Dit is een goed anekdotisch voorbeeld dat ook jongere Nederlanders zullen herkennen: je gaat naar het buitenland en daar ontmoet je iemand die je niet kent, je praat Engels met die persoon, en op een bepaald moment kom je erachter dat jullie allebei Nederlanders zijn. Dat geeft het gevoel dat je iets raars hebt gedaan. Met een Nederlander Engels spreken is een beetje gênant. Zolang dat gevoel er nog is, voelt het Nederlands als onze taal.

„Mensen gebruiken wel steeds meer Engelse woorden en uitdrukkingen, maar ik vermoed dat dat Engels dan toch altijd een speciale extra functie heeft. Ik heb ooit een filmpje geanalyseerd van Enzo Knol die een game speelde. Hij zegt dan vaak ‘oh my god’ én hij zegt vaak ‘o mijn god’. Maar in verschillende omstandigheden: ‘oh my god’ als hij bijvoorbeeld een nieuwe ruimte binnenkomt in het spel, om uit te drukken dat hij onder de indruk is, en ‘o mijn god’ als het echt spannend wordt, als de vijand eraan komt. Ik heb het idee dat die Nederlandse uitdrukking meer ligt bij zijn echte gevoel. Laatst schreef ik over het verschijnsel dat mensen #not aan het eind van een tweet zetten om ironie uit te drukken. Als ze daar #niet zetten, is het juist een versterking: ‘écht niet’. Dat gaat dezelfde richting op.

„Dus of het Nederlands verdwijnt? In de voorzienbare toekomst niet, en het valt tegelijkertijd ook niet te voorspellen. Maar zolang wij leven bestaat er nog Nederlands.”

Wat is er mis met het middelbareschoolvak Nederlands?

„Heel veel scholieren vinden het een saai en oninspirerend vak waarbij ze trucjes leren waar je weinig aan hebt. Saaier dan wiskunde, ja. Het eindexamen Nederlands gaat in theorie over het kunnen lezen van opinieartikelen uit kwaliteitskranten of opinietijdschriften, maar in de praktijk gaat het over het herkennen van signaalwoorden en mind reading van de examenmaker. Ik heb al zo vaak gehoord dat de beste truc die je aan een slimme leerling kunt leren, is: geef niet het antwoord waarvan je denkt dat het goed is, maar het antwoord waarvan je denkt dat ‘ze’ het willen horen.

„En met die trucjes kun je uiteindelijk niet eens een tien halen. In de eindexamentijd verschijnen vooral in regionale kranten artikeltjes over heel goede leerlingen, met zes tienen of zo. En echt áltijd is Nederlands hun slechtste vak, daar hebben ze dan een zeven voor. Ik had zelf dit jaar een 7,5, en ik heb echt mijn best gedaan en ik mag mezelf hoogleraar Nederlands noemen. Ik denk niet dat ik een tien moet halen, maar dit is gewoon te laag.

„In 2013 dacht ik: laat ik het vwo-eindexamen weer eens doen. Ik schrok erg, daar schreef ik een opiniestuk over in jullie krant: vaak is elke antwoordoptie goed, afhankelijk van je argumentatie, maar die mag je niet geven, want het is meerkeuze. Een paar dagen later verscheen als reactie een ander opiniestuk van lerarenorganisatie Levende Talen, dat het nog veel erger was! Sindsdien heb ik veel contact met betrokken docenten.

„Veel vormen van kennis over taal en literatuur zijn eigenlijk uit het vak verdwenen. Om daar weer ruimte voor te scheppen zou je leesvaardigheden meer kunnen integreren in andere vakken. Het echte lezen doe je bij geschiedenis of biologie, dan gáát het echt ergens over. Die leraren kunnen de leerlingen zelfs beter laten zien dat Nederlands niet zomaar een schoolvak is, maar dat goed kunnen lezen, spreken, schrijven en luisteren in ieder beroep belangrijk is.

„Bij Nederlands kun je leerlingen dan leren hoe communicatie werkt: dat je in verschillende situaties verschillende soorten taal moet gebruiken, waarom bepaalde manieren van praten werken en andere niet. En je kunt ze leren om óver taal te praten. Veel mensen kunnen geen commentaar geven op teksten. Ze kunnen hooguit iets zeggen over spelling, dat is heel tastbaar. Daarom wordt er over spelling, zoals dt-fouten, ook zoveel geklaagd, denk ik. Maar ze hebben nooit geleerd te analyseren wat er wringt in een tekst. Of, bij literatuur: hoe zet je eigenlijk een verhaal op? Niet omdat al die leerlingen romanschrijvers worden, maar verhalen zijn in allerlei opzichten belangrijk in ons leven. En leer MBO-leerlingen bijvoorbeeld wat een standaardtaal is, en dat je die niet altijd hoeft te gebruiken, en dat het feit dat jij van huis uit geen standaardtaal gebruikt niet betekent dat je dom bent. Dan gaat het om veel fundamenteler begrip.”

    • Ellen de Bruin