Opinie

    • Sjoerd de Jong

Moet alles altijd korter? Of: de gestage terugkeer van het lange verhaal…

Hé, het lange stuk is terug – en hoe. Of wacht, het is een klacht die je vaker hoort: alles moet maar korter in die krant. Nooit lees je meer eens een langer stuk.

Klopt dat?

Het is ontegenzeggelijk waar dat kranten, en niet alleen NRC, de afgelopen jaren in de slag om de drukbezette lezer steeds meer nadruk zijn gaan leggen op toegankelijke presentatie en vormgeving. Korter heet dan al snel beter, want ja, wie leest er nog van die grijze lappen (nou ja, ik bijvoorbeeld). De kritiek op die trend is duidelijk: wat een onderschatting van de lezer, die juist graag zijn tanden zet in een lang, diepgravend stuk.

Maar laten we de cijfers eens bekijken.

Wetenschapsredacteur Maarten Keulemans van de Volkskrant merkte onlangs in een factcheck in zijn krant op dat het aantal „3000-plus-artikelen” na jaren te zijn gedaald in zijn eigen krant en „vooral” (sic) in NRC, de laatste jaren zowaar weer stijgt. In zijn eigen krant vond hij er dit jaar 52, in NRC 45. Het langste stuk in de Volkskrant was de reconstructie van een verkrachtingszaak (4.859 woorden); in NRC vond hij een „megareportage” over een bedrijventerrein (8.000 woorden).

Kortom, het lange verhaal is bezig aan een comeback.

Dat bevestigt mijn indruk: ook NRC is, gelukkig, al een tijd minder zuinig met lange verhalen. Een eigen telling: in de ‘gewone’ papieren NRC (dus zonder magazines als DeLuxe of Het Blad, die per definitie langere stukken plaatsen) daalde het aantal 3.000-plus stukken van 55 (2010) sterk tot 24 (2013) en 28 (2014); daarna begon het weer te stijgen, tot 46 (2016), 70 (2017) en 64 (2018). Kanttekening: dit is ruw onderzoek uit het eigen archief, dat niet altijd even betrouwbaar is. Maar de trend is duidelijk.

Het gaat dan, bijvoorbeeld, om de ‘Zomeravondgesprekken’ die de krant al jaren plaatst (ruim 3.000 woorden). Maar ook om nieuws of reportage, zoals het portret van de firma Blokker in 2016 (6.721 woorden), een reuzenreportage over Europese ‘verliezers van de globalisering’ (5.822 woorden) en lange reisverslagen van correspondenten door hun land. Of, recent, het Economie-verhaal over scheepsbouwer Damen (3.184). Bij veel van die stukken zijn bovendien de multimedia-mogelijkheden ten volle benut, een nieuwe manier van online verhalen vertellen. Dat gold ook voor een ultra-mega-extra-stuk, het langste dat NRC bij mijn weten ooit heeft gepubliceerd: een human interest vertelling over de (vergeefse) zoektocht naar een jaren verdwenen vrouw, Ria (18.007 woorden).

Er is wel een andere ontwikkeling, die minder vrolijk stemt. Want terwijl het aantal prominente megastukken in de krant toeneemt, blijkt het aantal mediumlange stukken (tussen 2.000 en 3.000 woorden) op een fors lager niveau gestabiliseerd. Ongeveer tien jaar geleden had de krant in een jaar tijd 402 van zulke stukken (2010) of 422 (2011) – inclusief de rubriek ‘het Grote Verhaal’. Daarna zette een daling in tot 281 (2016), 257 (2017) en dit jaar 240.

Daar zal een vertekening inzitten, want een grote ‘productie’ wordt nu vaak gesplitst in meerdere delen, of gepresenteerd als één groot stuk met een aantal kleinere over deelaspecten. Zie de recente productie over misbruik in de katholieke kerk; die bestond uit een aantal elementen die bij elkaar ruim boven de 3.000 woorden kwamen. Dat effect is in deze telling niet terug te vinden.

Opvallend is ook dat die terugkeer van het giga-verhaal zich vooral voordoet bij eigen onderzoek en nieuwsdossiers. Logisch, dat zijn de journalistieke verhalen waar de krant eer mee kan behalen (en prijzen mee kan winnen). Maar je zou juist ook langere stukken verwachten verder weg van het nieuws, in de beschouwelijke delen van de krant.

Maar het langste stuk bij Opinie is nu, door de bank genomen, zo’n 1.800 woorden; een uitzondering was een prominent maar toch nog bescheiden essay over de historische banden tussen Nederland en Vlaanderen (2.141 woorden). Ter vergelijking: eerdere opinie-interventies van NRC waren, onder meer, Het multiculturele drama van Paul Scheffer in 2000 (4.118 woorden), een stuk met een leesduur van inmiddels achttien jaar. Ook: de aanklacht tegen ‘éénpartij-staat Nederland’ van J.W. Oerlemans in 1992 (4.690 woorden), negen jaar vóór Pim Fortuyn. Ja, er was ook het minstens zo invloedrijke, maar veel kortere stuk over de zelfgekozen dood door Huib Drion in 1991 (1.520 woorden). Alles kan altijd korter; zelfs de Bijbel past in een paar soundbites. Maar het origineel leest toch beter.

In de vrijdagse Boekenbijlage is het aantal woorden, op lange termijn bezien, zelfs meer dan fors gedaald; van 22.153 (2008) naar 19.791 (2012) en 14.991 nu (12.686 zonder de eerste twee pagina’s cultuurnieuws mee te tellen). Openende stukken besloegen daar ooit, bij het begin in 1996, zo’n 2.700 woorden, nu tellen ze er in de regel rond de 1.400. Maar ook in die wat amechtige beginjaren – de bijlage barstte bijkans uit de voegen – riep Boeken in lezersonderzoek „spontaan de meest enthousiaste” reacties op. Ook nu pakt die bijlage nog uit – zoals met een bijzondere special over Philip Roth – maar in de regel zijn de stukken er korter geworden.

Lange stukken zijn geen panacee, en ze zijn ook nog geen garantie voor kwaliteit. Maar in handen van een hooggekwalificeerde redactie en medewerkers kunnen ze een extra laag geven aan de berichtgeving, en diepgang waar lezers naar snakken die niet genoeg hebben aan een wereld van lijstjes, top-10’s, tweets en Teletekst 101. Lezers op wie NRC zich van oudsher wil richten, dus.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong