Opinie

    • Piet de Rooy

Met Kok verdween het vertrouwen

Wim Kok verstond de kunst van het ombuigen van polarisatie naar polderen. Maar dat kwam als een boomerang terug, in de persoon van Pim Fortuyn, weet .
Foto Rien Zilvold

Hoe moet Wim Kok de annalen in? In de jaren zeventig en tachtig was hij vakbondsleider, in de jaren daarna leidde hij achtereenvolgens de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, was hij minister en vice-premier en werd hij minister-president. Tijdens deze lange loopbaan worstelde hij vooral met de erfenis van de grote veranderingen in de jaren zestig.

Tot de jaren zestig was de samenleving gebaseerd op de verzuilde ordening van het politieke en maatschappelijke leven, doordesemd van een al dan niet door God gesanctioneerde hiërarchie. In de jaren zestig ontdeed de maatschappij zich daarvan, en de industriële samenleving transformeerde tot een dienstensamenleving van geseculariseerde individuen die hun persoonlijke authenticiteit als hoogste goed beschouwden.

Werk als kernwaarde

Kok, de zoon van een timmerman die de crisisjaren had meegemaakt, was er ten diepste van overtuigd dat werk structuur gaf aan het leven. En omdat de samenleving complexer was geworden, nam het belang van structuur alleen maar toe. Waar progressief Nederland de ogen sloot voor de eroderende economische basis waarop het sociaal paradijs van de verzorgingsstaat was gebouwd, was het de verdienste van Kok, als voorzitter van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen vanaf 1973, dat hij tegen het tij inging en een oplossing vond voor het probleem van de werkloosheid.

In 1960 was er bijna volledige werkgelegenheid, maar daarna begon de werkloosheid op te lopen, zeker na de oliecrisis van 1973. Dat was het gevolg van een diepgaande wijziging in de hoofdstructuur van de Nederlandse economie. Al in de jaren zestig bleek dat de winstgevendheid van de bedrijven sterk achteruitliep, waardoor noodzakelijke technologische vernieuwingen uitbleven. Een veeg teken was ook het verdwijnen van hele bedrijfstakken, zoals de textiel en de scheepsbouw. Voor een deel kon de pijn worden verzacht door prettige sociale regelingen, goeddeels betaald uit de aardgaswinsten. Maar onrustbarend was de oplopende jeugdwerkloosheid, met een piek in de jaren tachtig. Dat betekende immers dat voor veel jongeren het toekomstperspectief op zijn best onduidelijk was geworden. Hier was een kernwaarde van Kok in het geding.

Lees ook de column van Paul Scheffer, waarin hij zich Kok herinnert: Schrijven aan een credo voor Kok

Met Chris van Veen, de voorzitter van de werkgeversvereniging, sloot Kok in 1982 het Akkoord van Wassenaar. Vrijwillige loonmatiging werd afgeruild tegen meer werkgelegenheid. Internationaal werd gesproken over The Dutch Miracle, de ontzagwekkende banengroei en de daaropvolgende economische groei. Het belang dat Wim Kok aan werk hechtte als de weg waarlangs mensen volwaardig deelnemen aan de maatschappij, bleek ook uit het motto dat het kabinet-Kok I in 1994 koos: werk, werk, werk.

Links moet verantwoordelijkheid nemen

De jaren zestig hadden tot verwarring in de rode familie geleid. Er was een geest van vernieuwing dominant geworden, maar de vernieuwing bleek vooral te bestaan uit haken naar het verleden. De revolutionaire Industriebond NVV liet in de nota Fijn is Anders (1974) weten het kapitalisme af te wijzen: „Daarom nemen wij ook afstand van alle beslissingen die onze weg naar een andere maatschappij blokkeren.” De PvdA was dezelfde weg ingeslagen, met het beginselprogramma van 1977.

Kok zag, als vakbondsman en vervolgens als leider van de PvdA, dit alles met lede ogen aan. Hij was ervan overtuigd dat alleen deelname aan een regering het realiteitsprincipe in zijn partij zou kunnen terugbrengen. Hiermee komt, naast structuur, het tweede begrip naar voren dat het optreden en de persoon van Wim Kok zo tekende: verantwoordelijkheid. De gedachte was immers dat slechts door verantwoordelijkheid voor regeringsbeleid te aanvaarden, de ketenen van de romantische nostalgie verbroken zouden worden – om het eens anders te zeggen dan het overmatig geciteerde ‘afschudden van de ideologische veren’. Op de korte termijn leidde dit tot een herstel van de politieke betekenis van de partij.

Ook in de internationale politiek liet Kok zich leiden door zijn twee kernwaarden: structuur en verantwoordelijkheid. Het einde van de Koude Oorlog was totaal onverwacht. Twee dagen na de installatie van het kabinet Lubbers-Kok viel de Muur. Dat bracht niet alleen een euforisch gevoel teweeg, maar bleek al snel ook tot een tectonische aardverschuiving in de Europese verhoudingen te leiden.

Nauwere samenwerking tussen de verschillende landen was gewenst, waarbij vooral de verhouding met Duitsland bijzondere aandacht vergde. Een aantal Nederlandse politici – Lubbers, Dankert – bleek in deze niet te beschikken over een gelukkige hand. Uiteindelijk kwam het in 1992 tot het Verdrag van Maastricht, waarmee de EEG werd omgevormd tot de Europese Unie en het besluit viel om één munt in te voeren. Kok vervulde in dat proces een essentiële rol, vooral ook doordat hij een goede persoonlijke band met bondskanselier Helmut Kohl wist op te bouwen.

Vertrouwen maakte plaats voor wantrouwen

Kok had zijn loopbaan voor een goed deel gewijd aan het ombuigen van polarisatie naar polderen. Hij was erin geslaagd het land door de gevolgen van de jaren zestig te leiden. Maar aan het einde van zijn politieke leven keerde de opstandigheid als een boemerang weer terug, in de persoon van Pim Fortuyn.

De politiek van Kok wordt doorgaans ideologisch bij de Derde Weg ingedeeld, waarbij het socialisme een deel van het liberalisme overnam. Dat is maar ten dele juist. Interessanter is de pragmatische stijl van Kok te zien in een lange traditie die het socialisme evenzeer kenmerkte als de ideologische bevlogenheid. Denk aan het bekende ‘ingenieurssocialisme’ en het befaamde ‘wethouderssocialisme’, waarin praktisch gestreefd wordt naar een efficiënte verbetering van het levensniveau van de bevolking. Deze traditie gedijt slechts bij vertrouwen, want het gaat met kleine stapjes en neemt tijd.

Kok had dat vertrouwen. De Telegraaf berichtte op 14 mei 2001 op de voorpagina dat „ruim de helft” van de Nederlanders een groot vertrouwen had in Wim Kok en hem graag als minister-president zou terugzien voor een derde termijn.

Lees ook de beschouwing die Paul Scheffer in 2002 over Paars schreef: De verloren jaren van Kok

Dat vertrouwen werd het mikpunt van Fortuyn. In zijn Babyboomers, Autobiografie van een generatie (1998) zette hij Kok neer als een hypocriete leugenaar, die zichzelf wist te verkopen als een uitermate integer politicus. Hier werden verschillen van mening omgevormd tot morele veroordelingen van politieke tegenstanders. Vertrouwen maakte plaats voor wantrouwen.

Nu is een zekere waakzaamheid altijd onderdeel van de democratie, het in de gaten houden van ‘de politiek’. Maar die waakzaamheid kan doorslaan en dan komt the dark side of democracy naar voren, zoals door de Franse historicus Rosanvallon is geanalyseerd. Bestaande spelregels worden bewust doorbroken, de handschoenen gaan uit. Het blijft een open vraag of Kok bij de verkiezingen van 2002 een dam had kunnen opwerpen tegen het samengebalde ongenoegen van de Lijst Pim Fortuyn. Maar ‘de eindeloze jaren zestig’, zoals Hans Righart de tweede helft van de twintigste eeuw kenschetste, waren definitief voorbij.

    • Piet de Rooy