Kunnen alleen paarden galopperen?

Durf te vragen

Wekelijks zoekt de wetenschapsredactie het antwoord op een veelgestelde vraag. Vandaag: Het kleinste zoogdier dat in een ware galop rent, is de olifantsspitsmuis.

Illustratie Rik van Schagen

Wie galop denkt, denkt ‘paard’. Het edele dier beheerst zelfs twee varianten: de wat ingehouden handgalop, ook wel korte galop of canter genoemd, en de wat ruigere gewone galop. Honden en katten kunnen ook galopperen, evenals wolven en cheeta’s. Maar hoe zit het met olifanten? Giraffes? Muizen en egels? En kunnen wij zelf galopperen?

Het is een kwestie van definitie. De tientallen wetenschappelijke artikelen over de ‘gang’ (voortbeweging) van dieren zijn niet eenduidig. Sommige definiëren galop als een gang met een zweefmoment. Dit in tegenstelling tot stappen en draven, waarbij er altijd minstens één poot (of been) aan de grond is.

Maar er zijn ook gangen met een zweefmoment die toch niet tellen als galop. Bijvoorbeeld de sprongen van eekhoorns en hazen. Zij zetten met beide achterpoten tegelijk af, zweven even en landen dan ofwel met beide voorpoten tegelijk, ofwel met de twee voorpoten na elkaar. Sommigen noemen dat toch ‘spronggalop’.

Een andere definitie van galop spreekt van ‘vier contactmomenten’: alle vier de poten raken de grond na elkaar. Maar dat gaat dan weer niet op voor de handgalop, want die kent maar drie contactmomenten. Hoef nummer twee en drie raken de grond tegelijkertijd.

Neem je de breedste combinatie van definities, dan kunnen bijna alle viervoetige zoogdieren galopperen. Dat zegt ook het standaardartikel ‘Why mammals gallop’ (Integrative & Comparative Biology, 1988). „Persoonlijk beschouw ik de sprongen van kleine zoogdieren als een variatie van de galop”, zegt ook John Bertram van de universiteit van Calgary, auteur van een analyse van de galop van het paard versus die van de cheeta . „Het kleinste zoogdier dat in een ware galop rent, is voor zover ik weet de olifantsspitsmuis”, zegt hij. „Die heeft opvallend lange poten voor zijn afmetingen.”

Pootlengte is van belang; galop vereist een bepaalde buiging en strekking van de ruggengraat, aldus Naomi Wada, hoogleraar systeemfysiologie aan de universiteit van Yamaguchi (Japan) en maker van de website mammals-locomotion.com. „Die beweging krijg je moeilijker voor elkaar met relatief korte poten”, zegt Wada. „Ik heb nog nooit een egel zien galopperen. Zelf onderzoeken wij dwergmuizen. Die kunnen niet galopperen; die springen.”

„Er zijn ook zoogdieren die nooit alle vier hun poten tegelijk van de grond hebben”, vertelt Frietson Galis, evolutionair ontwikkelingsbioloog bij Naturalis Biodiversity Center, „bijvoorbeeld olifanten en andere zware zoogdieren. Als zo’n zwaar dier met een klap op de grond komt, dan zou er van alles kapot gaan. Zij hebben altijd ten minste één poot aan de grond.”

Dat geldt niet voor neushoorns: die galopperen wel – in tegenstelling tot nijlpaarden. „Onder water galopperen nijlpaarden wel”, merkt Galis op. „Dan hebben ze natuurlijk geen probleem met hun gewicht.” Ook giraffes galopperen. Zij gebruiken de beheerste handgalop, met een duidelijk zweefmoment.

En mensen? Daarover zijn de meningen verdeeld. Volgens puristen heb je vier benen nodig om te galopperen. Hardlopen is in elk geval geen galop, ook al is er een zweefmoment: ons rennen is equivalent aan draven, waarbij het linker- en het rechterbeen steeds van koppositie wisselen. Bij galop loopt daarentegen steeds hetzelfde been voorop, wat de gang asymmetrisch maakt. Mensen doen dat niet van nature – alleen als ze expres éénzijdig huppelen, zoals kinderen doen als ze ‘paardje spelen’. En sommige bergsporters, als ze half rennend, half remmend afdalen over een steile puinhelling.

    • Nienke Beintema