Opinie

    • Michel Krielaars

Vrije liefde, cocaïnegebruik en nudisme in het Fiume van 1920

Michel Krielaars wilde wel eens het hippiestaatje zien dat de heethoofdige, decadente schrijver en dichter Gabriele D’Annunzio tussen 1919 en 1920 leidde.

Aan de Kroatische kust omarmen geschiedenis en literatuur elkaar. Zo ontdekte ik afgelopen week in de nostalgische badplaats Opatija een mooi standbeeld van de grote schrijver Miroslav Krleza (1892-1981), die naar de zee tuurt. Meteen moest ik denken aan zijn roman Op de rand van het verstand. Het is het verhaal van een achtenswaardig burger, die door de goegemeente wordt uitgekotst omdat hij een onvoorzichtig woordje van kritiek heeft geuit.

De mening van anderen liet Krleza koud. Zo lag hij overhoop met de Joegoslavische leider Tito, omdat hij weigerde zijn onafhankelijkheid als kunstenaar te verruilen voor het marxisme en de literaire stijlregels van het socialistisch-realisme. Die onwankelbare kunstenaarsgeest straalt ook van dat standbeeld af. Zijn bronzen hoofd rust op een grote regenjas waarin zijn forse gestalte verborgen gaat, alsof hij wil zeggen: kom mij niet te na.

Eerder die dag was ik met 75 NRC-abonnees in het nabijgelegen Rijeka, de havenstad waar in de nadagen van de Habsburgse keizer Frans Jozef een jonge marineofficier, Georg von Trapp, met Agathe Whitehead, de kleindochter van de uitvinder van de torpedo, trouwde. Ze baarde zeven kinderen. Na haar vroege dood in 1922 werd ze door de geschiedenis vergeten, omdat Von Trapp vijf jaar later trouwde met de huislerares van zijn kinderen, Maria Kutschera. Zij zou door Julie Andrews in de The Sound of Music vereeuwigd worden.

Maar voor de Von Trapps was ik niet naar Rijeka gekomen. Wel wilde ik eindelijk eens het hippiestaatje zien dat de heethoofdige, decadente schrijver en dichter Gabriele D’Annunzio er tussen 22 september 1919 en 24 december 1920 leidde. Gefrustreerd over het uitblijven van een serieuze gebiedsuitbreiding van Italië na afloop van de Eerste Wereldoorlog was hij met drieduizend gedeserteerde soldaten naar die Habsburgse stad, toen Fiume geheten, opgerukt om die voor zijn vaderland op te eisen, voordat het nieuwe koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen dat voor zichzelf zou doen. Zonder een kogel te hoeven afschieten, kon hij binnentrekken, toegejuicht door de grotendeels Italiaanse bevolking.

Toen Italië niet tot annexatie overging, besloot D’Annunzio in Fiume een revolutionaire, nieuwe beschaving te vestigen, die niet gebaseerd was op rijkdom, macht en traditie, maar op absolute vrijheid op politiek en seksueel gebied. De stad moest een voorbeeld worden voor de rest van de westerse wereld, die hij corrupt, futloos, vulgair en uitgespeeld vond.

Fiume kreeg nu een liberale grondwet waarin mannen en vrouwen gelijke rechten kregen en godsdienstvrijheid voorop stond. Dagelijks hield de dichtervorst vanaf het balkon van het stadhuis theatrale toespraken, waarbij hij door duizenden werd toegejuicht. Elke dag was het er carnaval, waarbij vrije liefde, homoseksualiteit, nudisme en cocaïnegebruik heel gewoon waren. Geslachtsziekten verspreidden zich met de snelheid van water. En toen de libertijnen van Fiume zich ook nog aan banditisme overgaven en drieënveertig raspaarden van het Italiaanse leger stalen, maakte Rome met geweld een einde aan de dionysische vrijstaat.

Ik vertel het mijn gevolg in de foyer van de opera. De reacties zijn allerminst geschokt, eerder mild en verwonderd. Een enkeling kijkt nieuwsgierig naar het balkon, alsof D’Annunzio er zo kan gaan spreken. Het wachten is alleen nog op de geestdriftige, losbandige menigte op het operaplein.

    • Michel Krielaars