Recensie

Het lange verleden van de leunstoeltoerist

Geschiedenis

In 116 hoofdstukken door 120 Nederlandse historici wordt de internationale dimensie van onze geschiedenis getoond. Dat moet leiden tot een minder primitief historisch nationalisme.

Een Tapia-vrouw in Brazilië, geschilderd in 1642 door Albert Eckhout. Zo werd 'de vreemdeling' gezien: met een been in haar mand en een onderarm in de hand. Albert Eckhout

Niemand kan de Nederlandse geschiedenis begrijpen zonder landsgrenzen te overschrijden. Zelfs in het volkslied struikel je over Duitsers en Spaanse koningen. Een Wereldgeschiedenis van Nederland over hoe hier ‘internationale ontwikkelingslijnen elkaar raken en kruisen’, is daarom geen schokkende gedachte. Veel van de 116 jaartalstukken (elk een pagina of vijf lang) in het mooi uitgegeven boek zijn gewone, conventionele geschiedenis – wat ze niet minder interessant maakt.

Dankzij de jaartalopzet werd het boek, waaraan 120 Nederlandse historici meewerkten, een kakelbonte verzameling van onderwerpen: van neanderthalers, via Romeinse altaren en de ridder Crokart uit Arkel die in Frankrijk vocht, naar koloniale expansie en Napoleon tot aan Hansje Brinker, het Vredespaleis, Conimex en krakersrellen. Zelfs ervaren geschiedenis-liefhebbers zullen nieuwe dingen ontdekken.

En toch is het idee van zo’n ‘wereldgeschiedenis van een land’ nieuw. Zoals vaker in de geschiedwetenschap komt de inspiratie uit Frankrijk. Vorig jaar werd daar Histoire mondiale de la France een echte bestseller. En net als daar is ook hier de voornaamste drijfveer politiek.

Dit boek is een actie ‘tegen primitief historisch nationalisme’, schrijft hoogleraar sociale geschiedenis Lex Heerma van Voss in de inleiding. Als aanleiding noemt hij onder meer de felle debatten over de koloniale straatnamen en het slavernijverleden. In de ‘Ouverture’ bij de Franse versie van vorig jaar was de mediëvist Patrick Boucheron nog explicieter: ‘Onze ambitie is politiek, wij willen een pluralistische opvatting van de geschiedenis mobiliseren, tegen de benauwenis van de eigen identiteit (l’étrécissement identitaire) die tegenwoordig het openbare debat domineert.’

Nationale zelfbeeld

Zoals te verwachten komt die ándere, pluriforme en onverwachte geschiedenis het best tot uiting in de koloniale geschiedenis, die ondanks alles nog altijd een ondergeschoven kindje is in het nationale zelfbeeld. Fascinerend is bijvoorbeeld het stuk over de vraag of in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden lucht en grond ‘vrij’ waren, zodat slaven er automatisch hun vrijheid kregen. De burgemeester van Middelburg dacht in 1596 van wel en hij verklaarde de ruim honderd tot slaaf gemaakte opvarenden van een door Zeeuwen gekaapte Portugese slavenschip vrij. De Zeeuwse Staten stonden aan zijn kant, maar toch wist de kaperkapitein zijn gruwelijke handel in veiligheid te brengen. En nooit werd deze fundamentele kwestie juridisch opgelost, zo blijkt uit verwarrende achttiende-eeuwse rechtszaken over Surinaamse slaven die als inwoner van de Republiek om vrijheid vroegen.

Eenzelfde (typisch Nederlandse?) welwillendheid die verlamd lijkt door de vrees radicaal te worden, komt terug in een al even ongewoon verhaal over de Portugese slavenhouderslobby in Nederlands-Brazilië in 1642. De Republikeinse autoriteiten wilden niet dat daar de lokale bevolking tot slaaf gemaakt werd, omdat dat tot onlusten zou leiden en ook omdat veel indiaanse volken bondgenoot waren geweest in de strijd tegen de Portugezen. Maar de lokale Portugese planters dachten daar heel anders over en uiteindelijk kregen zij hun zin.

Overstromingen

In veel andere verhalen ontbreekt zo’n schrijnende breuk met de traditionele en tevreden witte hoofdstroom van de vaderlandse geschiedenis. Soms wordt zelfs de internationale dimensie er met de haren bijgesleept. In een stuk over overstromingen wordt bijvoorbeeld vermeld dat er ook in de buurlanden heus veel overstromingen waren, zonder dat de lezer verder iets wijzer wordt over mogelijke verschillen in aanpak.

Bij heel veel andere onderwerpen is de internationale dimensie juist weer zo vanzelfsprekend dat de pretentie van ‘een nieuwe manier om tegen de Nederlandse geschiedenis aan te kijken’ potsierlijk wordt. Zelfs in mijn antieke exemplaar van Vaderlandsche Geschiedenis door P. Louwerse (1908, ‘Voor jong en oud Nederland’) wordt bijvoorbeeld de beroemde moord op de Hollandse graaf Floris V (1295) keurig ingepast in de achterliggende rivaliteit tussen Frankrijk en Engeland (Floris’ wisseling van bondgenootschap werd hem fataal), precies zoals het in deze Wereldgeschiedenis nu wéér verteld wordt. En wie heeft ooit geschreven over de Hongerwinter zónder internationale context? Bij sommige stukjes is gekozen voor onbekendere detailverhalen met internationale inslag, maar dat bijvoorbeeld vliegtuigpionier Anthony Fokker zijn handel wilde uitbreiden naar Amerika is niet oninteressant, maar verrast ook niet.

Overigens lijken de tot voorbeeld genomen Fransen in hun eigen Histoire mondiale de la France nog veel sterker te worstelen met die internationale dimensie. De dynastiewisseling naar het Capetingische koningshuis in 987 wordt er bijvoorbeeld verteld als een puur Frans verhaal, wat honderd jaar geleden nauwelijks anders zou zijn. En belangrijker, bij het jaartal 1958, met de dreigende muiterij in Algerije (een keerpunt in het koloniale bewind dat ook leidde tot het presidentschap van De Gaulle) is tussen alle interne Franse verwikkelingen de monde ver te zoeken. Kennelijk geldt Algerije al als buitenland genoeg. Wat nationale wereldgeschiedenissen betreft doet Nederland het dus zo slecht nog niet.

Ondanks alle bergen en dalen in internationaal inzicht kan die rode lijn de Wereldgeschiedenis van Nederland met al zijn losse jaartalstukjes redelijk bij elkaar houden. De ironie is zelfs dat in een van de leukste stukken, over de moderne misverstanden over de Statenvertaling (die vertaling is bijvoorbeeld helemaal niet de grondslag van het moderne Nederlands) vrijwel geen enkele internationale context voorkomt. Bij andere stukken lukt dat vaak genoeg wel.

Nieuwe polders

Echt internationaal en verrassend is bijvoorbeeld dat in de middeleeuwen veel nieuwe polders buitenlandse namen krijgen (Portengen = Bretagne, Schelluinen = Askelon, Hoog en Laag Raven = Ravenna etc.). Waarschijnlijk komen ze uit de populaire ridderromans en kruisvaartkronieken: ‘De leunstoeltoerist is ouder dan men denkt.’ Het verband tussen de ideeën van Abraham Kuyper en de ZuidAfrikaanse Apartheid (1948) is ook een goed voorbeeld, al valt dan weer tegen dat dat verband niet zo heel sterk blijkt. Ook de beschouwing over migranten in de Gouden Eeuw (1658) past perfect in de opzet, alleen al met de observatie dat al die duizenden, vooral Duitse en Scandinavische immigranten uit de zeventiende eeuw, ‘een sterk groeiende sociale onderlaag [werden] die gedurende de achttiende en negentiende eeuw langzaam haar etnische karakter zou verliezen’.

In dit project van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis stond ook ‘toegankelijkheid’ voorop. Met de jaartallenvorm is dat redelijk gelukt. Maar toch, in te veel stukjes sloft een dienstbare historicus te lang door het archief: de arme lezer wordt dan overspoeld met namen, besluiten en andere bureaucratische overblijfselen van een op zich boeiend verleden. En hoeveel werk was het geweest om een éérste zin van 63woorden (over Nederlands feminisme) een beetje te fatsoeneren? Jargon is duidelijk bestreden, maar nog steeds duiken woorden op als ‘gestranguleerd’ en ‘dichotoom’.

Kortom, een fijn boek waarin je best wat hoofdstukken kunt overslaan. En diep in de tekst ligt wel degelijk een loflied op de Nederlandse mentaliteit verborgen. In een stuk over de prehistorie wordt vermeld dat de oorsprong voor ‘onze handelsgeest’ al in de zeventiende eeuw vóór Christus te vinden is. En zelfs in de ordelijke aanleg van grafheuvels was al de huidige ‘planmatigheid in omgang met het landschap’ terug te zien. En bij welke Hollandse lezer zal niet de borst opzwellen als hij of zij in het stuk over de Beemster (1607) leest dat buitenlandse landaanwinningsprojecten meestal aan ruzie ten onder gingen, behalve als ze volgens Nederlands model werkten? Uiteindelijk wint toch de polder.

    • Hendrik Spiering