‘Gewoon doorrommelen maakt mensen kwaad’

Interview De Britse politicoloog David Runciman is in zijn nieuwe boek pessimistischer over de democratie. „Nieuw is de haat tegen de pragmaticus.”

Illustratie Cyprian Koscielniak

Het grootste probleem, zegt de Britse politicoloog David Runciman, is de huidige afkeer van politiek als ambacht. „In Groot-Brittannië zijn zowel Labour als de Conservatieven ervan overtuigd dat wat er op het spel staat de politiek van alledag ruimschoots overstijgt. Wie pragmatisch wil zijn, wie zegt ‘we moeten hier samen uit zien te komen’, kan meteen dekking gaan zoeken. Zeker, er is in de politiek altijd gescholden. Beledigingen over en weer, dat is op zich niks nieuws. Maar wel nieuw is de haat tegen de pragmaticus vanwege zijn pragmatisme.”

Ik spreek Runciman (1967) op een onverwacht zonnige dag in zijn kantoor aan de universiteit van Cambridge, waar hij politicologie en internationale betrekkingen doceert. Bij een breed publiek is hij bekend door zijn podcast Talking Politics, waar hij de diepte ingaat met een universitair panel en speciale gasten, zoals de Franse econoom Thomas Piketty en filosoof Judith Butler.

Emotionele bevrediging is steeds belangrijker geworden in hoe onze samenleving functioneert

Ikzelf leerde hem kennen door zijn boek The Confidence Trap (2013), een originele verdediging van de democratie. Anders dan zoveel andere pleitbezorgers moffelt Runciman de schaduwkanten van de democratie niet weg. Integendeel: democratie en onvrede horen bij elkaar, stelt hij onomwonden, omdat democratie altijd teleurstelt. Je krijgt het zelden zoals je het wilt hebben, er wordt kostbaar geblunderd en zelden van fouten geleerd. En na een bedwongen crisis blijft een echte catharsis uit, men rommelt gewoon verder. Maar juist daarin, zegt Runciman, schuilt haar kracht. Anders dan autoritaire regimes, is de democratie in staat steeds weer van koers te veranderen, nieuwe oplossingen voor problemen uit te proberen, en zich door improvisatie uit crises te wurmen. Groots en meeslepend is het niet, maar het werkt.

Maar in zijn nieuwe boek How Democracy Ends lijkt hij een stuk minder optimistisch over de veerkracht van de democratie. „Ik geloof nog altijd dat juist het vermogen om je door een crisis heen te rommelen de grote kracht van de democratie is. Dat zou met Brexit ook nog kunnen lukken. Maar het probleem is dat burgers nooit een groots moment van de waarheid zullen beleven, waarin alles helder wordt, wie het verkeerd had, wie schuld heeft. Kijk naar de bankencrisis van 2008. Obama werd gekozen en hij stelde mensen aan die deels voor de crisis verantwoordelijk waren. Het werkte, de catastrofe bleef uit, maar er was geen sprake van een catharsis, de schuldigen werden niet gestraft. Mensen bleven emotioneel onbevredigd achter. En emotionele bevrediging is steeds belangrijker geworden in de manier waarop we met elkaar omgaan, hoe onze samenleving functioneert. Gewoon doorrommelen maakt mensen kwaad. De verkiezing van Trump is daar deels het gevolg van.”

Zit de huidige afkeer van de gevestigde politiek niet nog veel dieper? De haat is vaak opvallend persoonsgericht.

„Veel mensen beschouwen de afgelopen twintig, dertig jaar, de zogenaamde ‘goede jaren’, waarin het einde van de geschiedenis werd afgekondigd, als één groot bedrog. Die stabiele wereld die hun werd voorgetoverd is ontmaskerd als een leugen. Men wil een politiek die recht doet aan dat gevoel van gekwetstheid. En men haat de politici die meegingen in de leugen. Kijk naar Labour. De politicus die de aanhangers van Jeremy Corbyn het meest haten, is Tony Blair. Het gaat verder dan zijn leugens over Irak. Hij staat symbool voor het soort politicus die zijn ideeën overal vandaan haalt, die denkt dat een compromis met het kapitalisme goed was voor gewone mensen. Maar de woede tegen hem komt niet zozeer voort uit een diepgevoeld, ideologisch anti-kapitalisme. Het is vooral het gevoel verraden te zijn door pragmatici.”

Het gevolg is dat het politiek debat verziekt is door kwade trouw. Niemand deugt, iedereen is verdacht.

„Aan weerskanten worden mensen niet beoordeeld op wat ze zeggen, maar op wat ze wordt toegeschreven. We beschouwen andere mensen steeds meer als hopeloos gevangen in hun eigen wereldbeeld. Dat is nieuw. Dat bijvoorbeeld de Labourpartij op dit moment verscheurd wordt door de kwestie van antisemitisme lijkt onbestaanbaar. De ene factie zou naar de pijpen van de Joodse lobby dansen, terwijl de Corbyn-fans een volkomen scheve blik op de werkelijkheid wordt verweten. En de haat neemt echt ongekende vormen aan. Brexit en Trump zijn daar symptomen van, maar het was er al eerder. Vaak gaat het ook niet om links of rechts. Bij Brexit ging het om gestudeerden tegenover mensen zonder academische opleiding, jong tegen oud, stad tegen platteland. Het wordt steeds lastiger te zien wie strijd voert tegen wie.”

Vrijwel altijd gaat het om een vermeend gebrek aan erkenning, het gevoel miskend te zijn, niet gezien of gewaardeerd te worden.

„En iedereen komt op voor de democratie. Het gaat niet zozeer om een gevestigde orde tegenover radicalen, bijvoorbeeld uitgesproken marxistische revolutionairen of zelfverklaarde fascisten, die de orde omver willen werpen. Vrijwel iedereen noemt zichzelf democraat. Dat maakt de bitterheid alleen maar groter. Echt ideologische tegenstanders kunnen vaak nog wel een soort respect voor elkaar opbrengen. Maar als je de ander als een verrader van jouw eigen idealen ziet, is dat een stuk moeilijker. Ook Trump zegt de Amerikaanse democratie te verdedigen tegen vijandige krachten, net als Obama voor hem. Het is niet in de eerste plaats een strijd tussen ideologieën, maar een strijd om de betekenis van woorden op persoonlijke gronden, een uit de hand gelopen familieruzie. Zoals ik in The Confidence Trap schreef, nemen mensen grote risico’s met de democratie, omdat ze diep van binnen juist een groot vertrouwen in de democratische orde hebben. Ze denken dat die niet stuk kan.”

Die gedachte zal veel mensen ook weer in het verkeerde keelgat schieten. U zegt dat ze zo wild om zich heen durven slaan, juist omdat ze zich beschermd weten.

„Trump riep bij de verkiezingen dingen die ondemocratisch zijn, zoals dat hij Hillary Clinton zou laten opsluiten als hij werd verkozen, of dat hij de uitslag niet zou respecteren als hij zou verliezen. De gedachte is dan: mensen die op deze man stemmen, koesteren een diepe afkeer van de democratie. Ikzelf denk eerder: deze mensen stemmen op iemand die spuugt op de democratie, omdat ze stiekem denken dat die democratie behoorlijk stevig is. Mensen stemden niet vóór Brexit in de overtuiging dat ze een gigantisch risico namen, maar juist omdat ze dachten dat er nauwelijks risico’s aan verbonden waren. Voor ons is de democratie als zuurstof, een ‘fact of life’. Wij kijken er niet van buitenaf naar, we zijn ons niet echt bewust van de alternatieven. Daarom doen we roekeloze dingen. In Oost-Europa, zeg ik er meteen bij, ligt dat anders, daar is de democratie nog nieuw en ook fragiel.”

Maar achter die woede en roekeloosheid gaat toch ook een reëel gevoel van onvrede schuil? Het gevoel dat gevestigde partijen wezenlijke zaken uit handen hebben gegeven?

„Zeker. Voor hun campagne konden de Brexiteers uit twee slogans kiezen. De eerste was Global Britain. De tweede was Take back control. Met die eerste hadden ze zeker verloren. Het gevoel zeggenschap verloren te hebben gaat gelijk op met het gevoel te zijn verraden door een politieke klasse. Bij het referendum over Brexit was, denk ik, het onderliggende gevoel niet: ooit hadden we macht over onszelf en die heeft Brussel ons afgenomen. Maar eerder: de macht die we hadden, is diffuus geworden, ongrijpbaar. Het is moeilijk geworden aan te wijzen waar de echte macht zich nu precies bevindt. In die zin is Brexit niet populistisch, het gaat erom de macht terug te geven aan het parlement, niet aan het volk. Nu, die macht hebben we terug en we kunnen er niets mee, omdat we politiek te verdeeld zijn. Het probleem is ook dat men terug wil naar een versie van nationaal bestuur die vijftig jaar terug eigenlijk al niet meer houdbaar was. Je geeft de macht terug aan instituties die niet meer bij machte zijn de problemen op te lossen.”

In How Democracy Ends spreekt u van een midlifecrisis van de democratie. Is dat niet wat al te luchtig? Heel wat beschouwers zien parallellen met de jaren dertig.

„Ik zie die parallellen ook heus wel, in veel van wat gezegd wordt klinkt de echo uit die jaren door. Maar ik draai het liever om. Vraag je eens af hoe iemand uit het Europa van de jaren dertig naar ons zou kijken. Ik denk dat zo iemand tot zijn verbazing ziet dat het politiek systeem nauwelijks veranderd is. We hebben nog steeds een parlement, een House of Lords zelfs, er zijn wat meer vrouwen in de politiek, maar ook weer niet zoveel. Alles is zo’n beetje hetzelfde. Maar wanneer hij naar onze samenleving kijkt, valt zijn mond open. Jullie zijn zo rijk! Jullie zijn zo oud! En zo geweldloos! Vrouwen leiden een compleet ander leven, er is het homohuwelijk. Dus wij horen de echo’s van de jaren dertig in de politiek, maar laten de sociale transformatie buiten beschouwing. Westminster lijkt gevangen in de tijd, maar Londen is onherkenbaar veranderd. Mij lijkt het eerder voor de hand liggen dat Westminster zich aan Londen zal moeten aanpassen, dan andersom.”

Maar het verlangen naar een sterke man is wel degelijk terug. Er wordt in West-Europa heel wat afgedweept met Poetin en Orbán.

„Zeker, politici als Matteo Salvini en Nigel Farage bewonderen Poetin. Maar het Poetinisme is enkel maffioos en kleptocratisch, wie ziet dat hier als een reëel alternatief voor ons democratisch bestel? Geloof me, over vijftig jaar heeft niemand het meer over Poetinisme. Het enige echt serieuze alternatief is het Chinese staatskapitalisme, en dat wordt door geen enkele westerse politicus bepleit. Wel door zakenmannen en academici, overigens, die vallen vaak om van bewondering na een bezoek aan China. Maar heb je ooit een westers politicus horen zeggen: laten we een voorbeeld nemen aan Xi Jinping? Wat de democratie in de vorige eeuw aantrekkelijk maakte, was dat mensen erop vooruitgingen, er oplossingen gevonden werden en mensen zeker ook een stem kregen. Nu staan degenen die de problemen moeten oplossen steeds verder van de burger af, het is uitbesteed aan centrale banken, experts, aan Sillicon Valley. En de stem die de burgers hebben, verheft zich steeds feller tegen juist die instituten. Mensen hebben het gevoel dat de democratie hun waardigheid afneemt en ook de problemen niet oplost. Vandaar de hang naar autoritaire leiders.”

Lees ook het opiniestuk: Autoritaire leiders bieden het gewone volk een vaderland

Er dient zich nu vrijwel overal een nieuwe generatie politici aan. Wat is de grootste uitdaging voor hen?

„De politici worden jonger, maar de kiezers steeds ouder. Een van de klassieke bezwaren tegen de democratie, al vanaf Plato, is dat de onbezonnen jeugd het voor het zeggen gaat krijgen, want er waren altijd meer jongeren dan ouderen. Dat is nu, voor het eerst in de geschiedenis, omgekeerd. Het zijn de jongeren die overal verkiezingen verliezen. In de vorige eeuw zag je eens in zoveel tijd momenten van saamhorigheid, vooral op momenten van crisis. Het lukte politici van links en rechts kiezers in het centrum bijeen te brengen. Tegenwoordig maakt een crisis, kijk naar 2008, de verdeeldheid alleen maar groter. Een landelijke politiek die erin slaagt de hoog- en laagopgeleiden, stads- en plattelandsbewoners, jong en oud bijeen te brengen, dat gaan we niet meer beleven, denk ik. Een nieuwe politiek uitvinden vanuit dat besef, daar ligt de uitdaging.”

    • Bas Heijne