Opinie

    • Guido de Wert
    • Wybo Dondorp

Donorconceptie is niet met adoptie vergelijkbaar

Ouders die via donorcellen kinderen hebben gekregen, zijn geen egoïsten, menen en . Via donorconceptie verwekte kinderen zijn niet bovengemiddeld kwetsbaar voor psychosociale problemen.
Foto Koen van Weel

Afgezien van adoptie is voortplanting met gedoneerde zaad- of eicellen voor veel paren de enige manier om hun kinderwens te vervullen. Denk aan paren met een vruchtbaarheidsprobleem of een hoog risico op een kind met een erfelijke aandoening, of aan lesbische paren.

Donorconceptie geldt als maatschappelijk aanvaarde manier van gezinsvorming. De vraag is hoelang nog. Onder invloed van een groeiend geloof in het fundamentele belang van genetische verwantschapsrelaties voor de vorming van een stabiele identiteit (zie de kijkcijfers van tv-programma’s als Spoorloos en DNA Onbekend), wordt steeds vaker beweerd dat paren die met donorcellen een kind krijgen, dat kind een recht ontnemen, namelijk: op te groeien bij zijn of haar verwekkers. Alleen biologische ouders zouden echte ouders zijn, voortplanting met donorgameten een vorm van adoptie, en ‘donorkinderen’ zouden net als adoptiekinderen door hun echte ouders afgestaan zijn, wat ze ook net zo kwetsbaar zou maken voor gevoelens van ontworteling en identiteitsstoornissen.

Lees ook: Eiceldonatie is meer dan een organisatieprobleem

Deze voorstelling van zaken is onwaar. Donorconceptie is iets anders dan adoptie. Kinderen die zijn geadopteerd moeten in het reine zien te komen met een geschiedenis van scheiding van de geboorteouders, terwijl daarvan bij donatie geen sprake is. Wie via donorconceptie is verwekt, heeft nooit andere ouders gehad dan degenen bij wie hij of zij is geboren. Er is ook geen enkele empirische basis voor de claim dat via donorconceptie verwekte kinderen bovengemiddeld kwetsbaar zouden zijn voor psychosociale problemen. Onder meer door de groep van de Britse onderzoekster Golombok is daar uitvoerig onderzoek naar gedaan, waarbij donorkinderen tot aan de volwassenheid zijn gevolgd. Voor veruit de meesten geldt dat ze hoogstens nieuwsgierig zijn naar de persoon van de donor.

De mythe van het fundamentele belang van genetische verwantschap schept zijn eigen werkelijkheid

Ouders die via donorcellen kinderen hebben gekregen worden ten onrechte in de beklaagdenbank gezet. Alsof ze hun kinderen iets hebben aangedaan door ze met behulp van een donor te verwekken. Dat is nogal een beschuldiging! Het valt te hopen dat ouders zich dit giftige verhaal over hun kennelijk ‘egoïstische’ voortplantingskeuze niet laten aanpraten, ook niet door een oud-rechter en twee hoogleraren in NRC (Eiceldonatie is meer dan een organisatieprobleem, 22/10).

Het valt te vrezen dat de mythe van het fundamentele belang van genetische verwantschap zijn eigen werkelijkheid schept. Sinds de wetswijziging van 2004, waarbij donorkinderen vanaf 16 jaar het recht kregen de identiteit van de donor te achterhalen, heeft het geloof in die mythe alleen maar aan kracht gewonnen. Dat past in deze tijd, waarin angst voor sociale ontworteling en identiteitsverlies een belangrijke culturele en politieke drijfveer geworden is. In 2004 ging het nog om het recht te ‘weten wie de donor is’. Nu is dat niet genoeg: kinderen moeten vooral ook contact kunnen leggen met de donor die immers hun echte ouder is.

Lees ook: Denk in de eiceldiscussie aan belang van het kind

Als dat de boodschap is, moeten we niet vreemd opkijken als kinderen die weten dat ze via donorconceptie zijn verwekt, in verwarring gebracht worden. Niet omdat donorconceptie haaks zou staan op een gezonde identiteitsontwikkeling, maar omdat het verhaal dat de samenleving over donorconceptie is gaan vertellen daar steeds minder ruimte voor biedt. Een self-fulfilling profecy kortom, met mogelijk grote gevolgen voor het welzijn van ouders en kinderen in gezinnen die met behulp van een donor zijn ontstaan.

    • Guido de Wert
    • Wybo Dondorp