Recensie

De prins had geen fraaie taille

Willem van Oranje

Uitgangspunt van deze biografie is de vriendschap van de prins met zijn Duitse zwager. Diens brieven staan vol adviezen, ook over vrouwen.

Standbeeld van Willem van Oranje op het Plein in Den Haag Foto Juan Vrijdag/ANP

Willem van Oranje moest het hebben van zijn familie. Op momenten dat het tegenzat, en dat deed het vooral in de tweede helft van zijn leven bijna onophoudelijk, kon hij terugvallen op een stevig netwerk van familieleden en daaraan gelieerde relaties. Oranje’s aimabele manieren in de omgang worden wel gezien als belangrijke verklaring voor dit netwerk, maar traditie was nog belangrijker. In de zestiende eeuw werkte het politieke bedrijf in Europa nu eenmaal tussen alle elkaar beconcurrerende en onderling verstrengelde dynastieën. Family first.

In De Prins. Willem van Oranje, 1533-1584 neemt historicus Ronald de Graaf een van de Duitse familierelaties van Willem van Oranje, zijn iets oudere zwager Günther von Schwarzburg, als uitgangspunt voor een levensbeschrijving van de prins.

Günther von Schwarzburg (1529-1583) was een bedreven militair en een behendig diplomaat. Hij trouwde in 1560 met Catharina van Nassau, de zuster van Willem van Oranje. Dit huwelijk betekende niet alleen een versteviging van de al langer bestaande banden tussen de grafelijke huizen van Schwarzburg en Nassau; het was ook de kroon op de bijzondere vriendschap tussen Günther en Willem.

Willem van Oranje was in 1544 als elfjarige jongen in Brussel terechtgekomen. Door vererving maakte hij aanspraak op de titel Prins van het vorstendommetje Orange in Zuid-Frankrijk. Reden voor keizer Karel V om de opvoeding van deze Duitse jongen naar zich toe te trekken, en hem klaar te stomen voor hoge posten in het Bourgondisch-Habsburgse militaire en politieke apparaat. In Brussel moest de luthers opgevoede Willem zich conformeren aan het katholicisme en de voertaal was er Frans. In 1551 kreeg hij in Brussel gezelschap van Günther von Schwarzburg, vier jaar ouder en al behoorlijk door de wol geverfd op de Europese slagvelden. Aan de hand van onuitgegeven correspondentie uit vooral Duitse archieven, valt in De Prins nieuw licht op de vriendschap tussen Günther en Willem, waarbij de eerste levenservaring inbrengt, en de laatste niet aarzelt daar steeds vaker een beroep op te doen naarmate hij dieper in de machtsspelletjes aan het Brusselse hof verstrikt raakt. Günthers brieven staan vol wijze raadgevingen, ook als het gaat om gescharrel met vrouwen. Beide mannen genieten van het Brusselse nachtleven – Schwarzburg is een gevreesd kaartspeler en houdt van een goed glas.

Wanneer in 1566 de sfeer in de Lage Landen gewelddadig wordt, het volk honger lijdt en in kerken de heiligenbeelden aan gruzelementen gaan, komt Oranje in een lang slepend militair conflict terecht met het bewind in Brussel, dat inmiddels moet luisteren naar Filips II, zoon van Karel V. Schwarzburg blijft ook in deze moeilijke omstandigheden Oranje trouw, als adviseur, diplomaat, legeraanvoerder en vriend. Toch loopt de vriendschap regelmatig een deukje op. De politieke manoeuvres en wisselende bondgenootschappen van Oranje zijn niet alleen voor de buitenwereld moeilijk te volgen en te accepteren, ook Schwarzburg kan zich er niet altijd mee verenigen. Hij had inmiddels een groot deel van zijn vermogen in de Opstand geïnvesteerd en verkeerde daardoor jarenlang in geldgebrek.

Als populariserende biografie van Willem van Oranje bevat ze veel bekende feiten; als vertelling struikelt ze regelmatig over haar eigen benen. Er duiken steeds figuren en gebeurtenissen op die pas pagina’s later geïntroduceerd worden. Teveel losse feiten worden te weinig geduid. Ook worden personen nogal eens door elkaar gehaald, met name de broers Jan en Lodewijk van Nassau. Eigenhandige vertalingen, met name die uit het Frans zitten er nogal eens naast: taille voor postuur wordt gelezen als taille (middel), waardoor Willem van Oranje wordt geprezen om zijn fraaie taille. Zo voert het verkeerd lezen van ‘sommellerie’ als eetzaal (in plaats van wijnkelder) tot de suggestie dat Oranje in 1559 door de Franse koning Hendrik II vernederend werd behandeld, door hem te laten dineren in een betralied keldergewelf. Het tegendeel was het geval.

Het is ook jammer is dat er een notenapparaat ontbreekt, alleen van de citaten wordt aangegeven waar ze vandaan komen. De afkeer van noten bij auteurs en uitgevers begint groteske vormen aan te nemen. Wie kan uitleggen wat er tegen een verwijzende of verklarende voetnoot is? Oké, ze maken het boek wat dikker, maar ze verhogen de bruikbaarheid tot in lengte van jaren voor iedereen die met het onderwerp verder wil. In dit geval leidt het taboe op noten tot een wonderlijk compromis: niet naar secundaire literatuur verwijzen, maar er wel veel en lang uit citeren.

Ronald de Graaf heeft verstand van zaken, maar laat zich regelmatig verleiden tot karikaturale zwart-wit tegenstellingen, terwijl Oranjes opereren juist in het teken stond van schipperen en het aan elkaar knopen van uiteenlopende belangen.

Ook ziet De Graaf soms meer conflicten tussen Willem en Günther dan er daadwerkelijk waren; zo meent hij dat Günther in oktober 1578 ‘al langer een wansmaak had van het verblijf van zijn zwager’, terwijl er in de Franstalige bron staat dat hij ‘lange tijd met jicht ziek had gelegen in het verblijf van de prins van Oranje, zijn zwager.’ Zo komen de verhalen in de wereld.

    • René van Stipriaan