De platte oester krijgt weer kroost

Biologie De platte oester verdween een halve eeuw geleden door ziekte uit de Waddenzee. Een Texelse visser vond er toch weer een paar. Onderzoekers hebben nu de omstandigheden gevonden waaronder de oesters zich voortplanten.

Oesterlarven met hun velum (zweephaartjes) en een donkere maaginhoud van algen Foto Wim van Egmond

Beschuit met blauwe muisjes aten ze hier begin september, op het Texelse NIOZ, het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee. Pascalle Jacobs vertelt het terloops, terwijl ze me voorgaat naar de ‘kraamkamer’: een ruimte vol badkuipachtige tanks, waar de temperatuur constant op 18 graden Celsius gehouden wordt. Hier komen de larven van de platte oester (Ostrea edulis) ter wereld.

De platte oester is een inheemse oestersoort die ruim een halve eeuw geleden vrijwel geheel uit de Waddenzee verdween, door overbevissing en een parasiet. Sindsdien komt de soort nog in beperkte hoeveelheden voor in Zeeland, in onder andere het Veerse Meer en de Oosterschelde. „Maar ook veel Zeeuwse exemplaren zijn geïnfecteerd met de parasiet, Bonamia ostraea”, zegt Jacobs terwijl ze zich over een van de Texelse badkuipen buigt. Gezonde oesters kunnen tientallen jaren leven. De zieke oesters worden maar een paar jaar oud.

Niet ideaal voor het voortbestaan van de soort, en ook niet voor de commercie. Zeeuwse oestertelers richten zich daarom de laatste decennia vooral op de Japanse oester, een invasieve exoot die zich in rap tempo in de Nederlandse wateren heeft vermeerderd – óók in de Waddenzee. De platte oester wordt in kleine hoeveelheden nog wel gegeten, maar is door de schaarste exclusiever en dus duurder.

Voor de kust van de Waddeneilanden werd de inheemse platte oester de laatste decennia helemaal niet meer waargenomen. Tot projectleider Katja Philippart, vorig jaar zomer twee exemplaren van Ostrea edulis van een Texelse visser kreeg. „Geen idee hoe die in de Waddenzee terecht zijn gekomen – misschien meegelift met een schip. Katja zei meteen: hier moeten we iets mee. We waren nog bezig met een ander experiment, met kokkels, dus alle onderzoeksruimte was bezet. We hebben de oesters tijdelijk bij de kokkels gezet, in de wasbak, zodat ze voedsel konden filteren uit het water dat richting afvoerputje stroomde.”

Die oesterschelpen kregen algauw ook witte groeirandjes – een teken dat ze goed gedijden. Dat was het begin van een grootschaliger experiment. „De visser bracht ons nóg een paar platte oesters, en we besloten ze over te hevelen naar een volwaardige woonruimte.” Ze wijst naar een aquarium in de hoek van de klimaatkamer, zoals de tijdelijke kraamkamer officieel heet. „En we begonnen ons in te lezen in alle literatuur over de voortplanting van platte oesters. Die was behoorlijk gedateerd; sinds de jaren veertig van de vorige eeuw, toen de oesterziekte steeds wijdverspreider raakte, heeft vrijwel niemand ze meer bestudeerd. Maar op basis van de oude teksten hebben we geprobeerd in te schatten wat de optimale omstandigheden zijn om oesters te laten paaien, in de hoop dat we larven zouden kunnen kweken.”

Eerst man dan vrouw

Oesters zijn tweekleppige en tweeslachtige weekdieren. Jacobs: „Ze beginnen hun leven altijd als mannetje, vandaar de beschuit met blauwe muisjes. Maar na een paar jaar veranderen ze in vrouwtjes.” Om die reden is de eerder genoemde parasiet extra nadelig: als de meeste oesters binnen een paar jaar sterven, komen er weinig vrouwelijke exemplaren en dus ook weinig nieuwe oesterlarven bij.

Het paaien houdt in dat de mannelijke oesters zaadcellen afgeven aan het zeewater. Vrouwelijke exemplaren vangen die in, waarna de bevruchte eicellen zich tot oesterlarven ontwikkelen.

Jacobs wijst op een van de schelpen in het aquarium. „Begin september zagen we dat een van de schelpen zich opende. Een teken dat de larven naar buiten kwamen, vermoedden we. Toen zijn we het water uit het aquarium gaan filteren, om te zien of er larven inzaten.”

Die larven zijn niet makkelijk met het blote oog waar te nemen, vertelt Youk Greeve, een van de twee labassistenten. Samen met zijn collega Maureen Sikkema is hij bezig om de microscopisch kleine larven – nog geen halve millimeter groot – over te hevelen van het ene bassin naar het andere. Dat gebeurt eens in de paar dagen, om ervoor te zorgen dat er geen bacteriën in het water komen waardoor de larven sterven.

Foto Wim van Egmond

Alle platte oesters eten algen. De volwassen oesters doen dat door het water te filteren via hun kieuwen. De larven zijn bij het vergaren van voedsel veel mobieler: waar de oesterschelpen vastzitten op een harde ondergrond, kunnen de larven nog vrijelijk bewegen. Jacobs: „Dat doen ze met behulp van een speciaal zwem- en eetorgaan, het velum, een soort kroontje van minuscule haartjes.” Dankzij dat velum kunnen ze het water rondom zich bewegen, waardoor ze zich verplaatsen en stroomt er ook voedselrijk water langs de haartjes.

Greeve en Sikkema controleren zeven dagen per week minstens twee keer per dag of er nieuwe larven in het water zitten. Greeve: „We zitten nu op ruim 5 miljoen larven in totaal. Per stuk kunnen oesters zo’n 150.000 larven voortbrengen. Niet alle vrouwelijke schelpen produceren op hetzelfde moment nakomelingen.”

Jacobs: „Na zo’n tien dagen krijgt elke larve een voet, dan hevelen we ze weer over naar een andere tank. Dat voetje is een spier waarmee ze zich over de bodem kunnen voortbewegen, op zoek naar een goede vestigingsplaats. Uiteindelijk hechten ze zich aan een goede ondergrond. In de tanks bootsen we dat na met een zeefje met daarin een laagje schelpmateriaal. De eerste larven hebben zich daar inmiddels al succesvol op gevestigd.”

Die ándere oestersoort

Stel dát dat daadwerkelijk gaat lukken, hoe moet dat dan straks in de Waddenzee? Ontdekken de platte oesters daar dat hun plek al lang en breed is ingenomen door die ándere oestersoort, de Japanse oester?

Het is te vroeg om daar iets over te zeggen, vindt Jacobs. „Doordat die nieuwe soort er is, is er uiteraard wel minder voedsel beschikbaar. Maar wie weet blijken de reliëfrijke Japanse schelpen wel een ideaal substraat voor de platte oester om zich op te vestigen, dat zou me niets verbazen. We dachten aanvankelijk ook dat de exotische oesters de mosselen zouden wegconcurreren uit de Waddenzee, maar dat is evenmin gebeurd.”

Bovendien: het is helemaal niet het doel om deze oesterlarven uit te zetten in de vrije natuur, voorlopig niet althans. „In dit pilotproject willen we vooral proberen een vinger te krijgen achter het hele voortplantingsproces. Wat werkt, wat niet? Als we dat eenmaal doorhebben, kunnen we veel systematischer te werk gaan en nog veel meer oesterlarven kweken. Die willen we dan aanvankelijk vooral gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek: welke factoren beïnvloeden de groei, overleving en vestiging van platte oesters?” Op den duur zouden de platte oesters dan wellicht kunnen worden uitgezet in de Waddenzee en ook in de Noordzee – daar loopt nu al een project van het Wereld Natuur Fonds en ARK Natuurontwikkeling om platte oesterbanken terug te krijgen. Jacobs: „Dat zijn Noorse platte oesters. Die zijn wel parasietvrij, maar ze komen van een natuurlijke oesterbank. Om op grote schaal platte oesters terug te brengen heb je er zoveel nodig dat je die niet allemaal uit de natuur wilt halen. Er zijn gekweekte oesters nodig om aan de vraag te voldoen. Over een paar maanden kunnen wij onze volwassen oesters en de nieuwe aanwas laten testen. Dan weten we of ze parasietvrij zijn en eventueel ooit uitgezet kunnen worden.”

Oesterlarvenoogst

De opgroeiende oesters zullen binnen de klimaatkamer steeds naar grotere badkuipen verhuizen – in de grootste staat nu een laagje zeewater om ze te ‘verwateren’, zodat zeker is dat er geen afvalstoffen vanuit de gloednieuwe kunststofbakken in het leefwater van de oesters terechtkomt. In de klimaatkamer klinkt het diepbrommende geluid van de ventilator, om de temperatuur constant te houden.

„Je moet ze eigenlijk even van dichtbij zien…” Jacobs trekt een labjas aan en gaat me voor naar een naburig lab, waar Greeve inmiddels over een microscoop gebogen zit om de oesterlarvenoogst van vandaag te tellen. „Ze bewegen snel. Dat is een goed teken, dan hebben ze goed gegeten.” Wanneer hij klaar is, mag ik even kijken. Ik zie een paar ronde doorzichtige wezentjes met bruine vlekjes in het midden – hun maaginhoud, bestaande uit algen. Aan de buitenkant zijn wat dwarsstreepjes te zien, als stralen van een heel primitief getekende zon. Jacobs: „Dat is het velum.” Twee larven botsen tegen elkaar op, de rest blijft in hoog tempo rondwervelen.

Dan zet Greeve de microscoop uit. „Door het lampje op het statief warmt het water waarin ze zwemmen te snel op, dat is niet goed voor ze. Tijd om ze terug te brengen naar de klimaatkamer.” Jacobs: „Voorlopig blijft de kraamzorg intensief, maar we doen het met liefde.”

    • Gemma Venhuizen