Opinie

    • Peter Slors

Afgemeten aan de tijdgeest, was Nederlands bestuur van Indië zo slecht niet

In de reacties op Kester Freriks’ pamflet Tempo Doeloe ontbreekt historisch besef, schrijft . Plaats het koloniale optreden in de tijd.
Feestavond in de Harmonie, Indie, maker onbekend Foto Nationaal Archief

In zijn pas uitgebrachte boekje Tempo Doeloe doet Kester Freriks een oproep om bij het terugkijken op ons koloniale verleden in Indië niet steeds alleen maar de nadruk te leggen op de gewelddadigheden die er toen plaatsgevonden hebben. Hij vraagt ook aandacht voor de tijdgeest van toen en voor het feit dat veel Nederlanders – zonder kleur en mét kleur – de herinneringen aan hun tijd in het Indië van Tempo Doeloe terecht mogen koesteren.

Lees ook: Koloniaal geluk is niet los te zien van koloniaal leed

In de NRC van 8 oktober vatte Freriks zijn boekje heel kort samen. Maar de heer Freriks was, bij wijze van spreken, nauwelijks uitgesproken of er werd over hem heen gewalst. In de NRC van 15 oktober schrijft Reza Kartosen-Wong: „Wat echter ontbreekt, zijn de perspectieven van Indonesiërs zelf. Terwijl juist zij in voormalig Nederlands-Indië de meerderheid vormden. Vanuit Indonesisch perspectief was er sprake van een gruwelijke en langdurige bezetting. Zij werden ruim driehonderd jaar stelselmatig onderdrukt, uitgebuit, gediscrimineerd, verkracht, vermoord.”

Historisch besef

Deze reactie geeft aan hoe weinig evenwichtig het historische besef van de heer Kartosen-Wong is. Bij vele anderen is dat evenzo. De algemeen gebruikte kreet dat wij ruim driehonderd jaar Indië als kolonie hebben gehad, is pure onzin. Je kunt zeggen dat Nederlanders meer dan 300 jaar op de Molukken en op delen van Java de baas zijn geweest, maar het koloniaal bestuur over heel Java heeft maar 113 jaar geduurd, dat op Noord-Celebes 98 jaar, Zuid-Celebes 52 jaar en Atjeh 30 jaar. In feite heeft Nederland dus maar 30 jaar koloniaal bestuur over héél Indonesië gehad. En als Nederland de duizenden eilanden van de Indische archipel niet tot Nederlands-Indië had verenigd, dan zou er hoogstwaarschijnlijk heden ten dage geen soevereine staat Indonesië hebben bestaan. Dan hadden waarschijnlijk de Britten onze plaats ingenomen – de tijdgeest – en waren de grote eilanden (Java, Sumatra etc.) mogelijk zelfstandige staten geworden. Nu konden de jonge Indonesische nationalisten op hun congres in 1928 besluiten dat de toekomstige staat Indonesië zich zou uitstrekken van Sabang tot Merauke.

Laten we even teruggaan in de tijd. Toen Jan Pieterszoon Coen voor de VOC in de Oost de zaken regelde, was Nederland nog verwikkeld in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. De recente tv-uitzendingen over die periode laten zien dat het mishandelen en vermoorden van bevolkingsgroepen om het eigen doel te bereiken toen door alle partijen werd gebezigd. De methode waarmee Coen de commerciële doelstellingen van de VOC in Indië probeerde te bereiken, was niet anders dan wat hij in zijn jeugd, in ons eigen landje, om zich heen had zien gebeuren – alweer de tijdgeest.

Coen wordt nu verguisd, maar we zijn trots op onze gouden eeuw, terwijl die in feite bij elkaar horen

Maar wat zich nu voordoet is merkwaardig. Waar Coen nu wordt verguisd, zijn we trots op onze gouden eeuw, omdat er niet bij nagedacht wordt dat ze in feite bij elkaar horen. Pas nadat de VOC het loodje had gelegd, en het Napoleontische interregnum was geëindigd (1814), nam de Nederlandse staat het koloniale roer in handen, en breidde haar macht over de archipel geleidelijk uit. Door invoering van het systeem van indirect bestuur werd de lokale feodale structuur van sultanaten, vorstendommen en regentschappen feitelijk in stand gehouden.

Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld het opgelegde cultuurstelsel veel leed veroorzaakt heeft. Maar dat was wel in een tijd dat de industriële revolutie in Europa ook veel leed veroorzaakte – de tijdgeest. Het is eigenlijk nauwelijks te begrijpen dat vanaf ongeveer 1900 door slechts 200.000 tot 300.000 Nederlanders een kolonie bijeengehouden werd die, geprojecteerd op de kaart van Europa, zich uitstrekte van Ierland tot de Oeral en van Denemarken tot midden-Italië. En zeker na 1900 heeft ook de lokale bevolking van de ontwikkeling van het land kunnen profiteren. En dat is met name de tijd waar Kester Freriks het in zijn boekje over heeft, Tempo Doeloe.

Gevoel van thuiskomen

Mijn grootvader (voor een kwart Indisch) en vader zijn in Indië geboren en getogen, en ook ik heb een deel van mijn jeugd in Indië (incl. Japanse kampen) en Indonesië mogen doorbrengen. Toen ik begin jaren zeventig via Unesco de kans kreeg om een paar jaar werkzaam te zijn in het ministerie van Onderwijs in Jakarta, heb ik die kans met beide handen aangegrepen. Voor mij was het thuiskomen. Ons gezin woonde in Jakarta, mijn werk bracht me over grote delen van het land. ’s Avonds op het platje voor het huis hadden mijn vrouw en ik regelmatig gesprekken met onze kokki en haar man. In die gesprekken hadden ze het vaak over jaman normal (de normale tijd). Toen wij vroegen welke tijd dat dan was, bleek het dat ze de periode vóór de oorlog bedoelden. Dat deed mij herinneren aan het feit dat het bedienden-echtpaar, dat vóór de oorlog jarenlang integrerend deel van ons dagelijks bestaan was geweest, en mij dus in de wieg had zien liggen en als kleuter had zien rondstappen, in 1948 een paar dagen uit midden Java naar Jakarta kwam omdat ze mijn ouders en ons kinderen weer wilden zien. Ze kwamen ook nogmaals dank zeggen voor de financiële hulp die mijn vader ze bij het uitbreken van de oorlog nog had kunnen geven.

Dat soort herinneringen hoort ook bij Tempo Doeloe. Mijn counterpart in het ministerie van Onderwijs in Jakarta, en vriend voor het leven, had als jonge man in Jogyakarta deel genomen aan de strijd tegen de Nederlandse troepen. Hij zei steeds, als we het er over hadden, “ik had geen haat tegen Hollanders als zodanig, ik vocht tegen het systeem.”

Toch ook schaamte

Gegeven de algemene ontwikkelingen in de periode waarin wij Indië hebben bestuurd, ben ik van mening dat we het, gegeven de tijdgeest, zo slecht nog niet hebben gedaan. Waar ik me wel voor schaam is de kortzichtigheid waarmee de Nederlandse regering vóór de oorlog een enorme kans gemist heeft. In 1936 nam de Volksraad in Batavia in meerderheid (d.w.z. dat ook Nederlandse leden vóór stemden) de petitie-Soetardjo aan. In die petitie werd gevraagd om een rijksconferentie waarin het programma zou worden geformuleerd voor het uiteindelijk onafhankelijk worden van Indonesië. Pas in 1938 verwaardigde de regering zich om de petitie gewoonweg af te wijzen.

En waar ik me als Nederlander ook voor schaam is het feit dat onze regering na de oorlog 100.000 man troepen naar Indië heeft gestuurd onder het valse voorwendsel dat zij orde en rust moesten scheppen en de bevolking beschermen. Tot slot schaam ik me voor de wijze waarop onze regering met de Molukkers is omgegaan. Maar ik ben en blijf, met Kester Freriks, dankbaar voor alle jaren die ik in Indië/Indonesië heb mogen doorbrengen.

    • Peter Slors