Foto Frank Ruiter

‘Allen een beetje schuldig, allen een beetje slachtoffer. Maar zo is het niet’

Chaja Polak (76) waarschuwt in haar nieuwe boek tegen de toenemende relativering van goed en kwaad in de Tweede Wereldoorlog. Het is een antwoord op het boek dat Isabel van Boetzelaer schreef over haar adellijke nazi-vader.

Chaja Polak (76) was tweeënhalf toen er een auto van de Sicherheitspolizei voor de deur van het huis stopte waar ze met haar ouders ondergedoken zat, in Rijswijk. Er stapten drie politieagenten uit en een van hen was Johannes Krom, gespecialiseerd in het opsporen en het arresteren van Joden en verzetsmensen. Hij drukte op de bel en bleef drukken tot de vrouw die Chaja en haar ouders onderdak had verschaft opendeed, Tine Hos. De agenten drongen binnen, grepen Chaja’s ouders en voerden hen af naar de gevangenis in Scheveningen

Dat was in april 1944. Hans Polak en Annetje Polak-Kupferschmidt, 28 en 30 jaar oud, werden dagenlang voor elkaars ogen gemarteld om hen tot bekentenissen te dwingen. Voor de Duitsers waren ze een dubbele vangst: én Jood én uit het verzet. Hans werd vermoord in Dachau, Annetje overleefde Auschwitz.

Wat gebeurde er met Chaja? Krom liet haar ongemoeid. Hij had een jongetje verwacht, dit was een meisje. Tine Hos nam haar in de armen en zei: „Lijkt ze niet precies op mij?” Ze bleef in de deuropening staan tot de auto met Chaja’s ouders erin uit het zicht verdwenen was. „Veel later”, zegt Chaja Polak, „heeft mijn moeder me verteld dat mijn vader geen afscheid van me durfde te nemen, uit angst dat hij me zou verraden. Hij is met gebogen hoofd langs me heen gelopen.” En haar moeder? „Zij heeft mijn wang gestreeld.”

Nog dezelfde middag ontdekte Krom zijn vergissing en ’s avonds keerde hij terug om Chaja op te halen. Maar ze was al in veiligheid gebracht door het verzet.

Chaja Polak, schrijver en beeldend kunstenaar, vertelt dit verhaal in haar boek De man die geen hekel had aan Joden. Ze zou dat nooit gedaan hebben als er in maart 2017 niet een ander boek was verschenen: Oorlogsouders van Isabel van Boetzelaer. Dat gaat over de familie van Isabel van Boetzelaer, vooral over haar vader, Willem baron Van Boetzelaer. Die meldde zich in mei 1940 aan bij de Waffen-SS en vocht aan het Oostfront. Na zijn terugkeer trad hij in dienst van de Sicherheitspolizei in Den Haag. Vanaf september 1944 was hij de meerdere van Krom. Na de oorlog werd hij tot de dood veroordeeld, later tot levenslang. Hij zou na twaalf jaar vrijkomen.

De baron trad even bruut en harteloos op als de anderen

In Oorlogsouders reconstrueert Isabel van Boetzelaer zijn geschiedenis en ze oordeelt niet zachtzinnig over hem: een overtuigd nazi die Nederlanders uitleverde aan de Duitsers. Hij had zijn straf verdiend. Ze schreef ook dat haar vader in 1940 jong en beïnvloedbaar was geweest, en in een interview met NRC herhaalde ze dat. Haar vader had de pech gehad dat hij op het verkeerde moment in de verkeerde kringen zat. Met de Jodenvervolging en de kampen had hij niets te maken gehad. Hij had geen hekel aan Joden. Hij was een rustige, stille man.

Zachtaardige SS’ers

Chaja Polak las dat interview (dat ik had gemaakt) en was verbijsterd. Niets met de kampen te maken gehad? Van Boetzelaer was onderdeel geweest van een systeem dat tot doel had om alle Joden te vermoorden. Ze schreef een brief aan de redactie: „Blijkbaar is nu de tijd aangebroken zachtaardige SS’ers ten tonele te voeren.”

Lees ook het interview met Isabel van Boetzelaer: ‘Ik was bang dat ze erachter kwamen wie mijn vader was’

In het gesprek met haar, afgelopen maandag, refereert Chaja Polak aan wat Evelien Gans, de onlangs overleden hoogleraar moderne Joodse geschiedenis, nivellering heeft genoemd: het vervagen van de grenzen tussen daders, slachtoffers, omstanders, medeplichtigen. Vergoelijken, relativeren. Het verdoezelen van historische feiten. Gans zag de neiging daartoe sterker worden. Chaja Polak: „Allen een beetje schuldig, allen een beetje slachtoffer. Maar”– en achter haar glimlach wordt haar woede bijna tastbaar – „zo is het niet.” Ze heeft De man die geen hekel had aan Joden geschreven, zegt ze, om het gevaar van nivellering aan te tonen, het gevaar van kritiekloosheid en gebrek aan kennis, in een tijd waarin antisemitisme weer openlijk beleden wordt. Ze heeft het ook geschreven, zegt ze, om Oorlogsouders aan te vullen met wat Isabel van Boetzelaer heeft weggelaten.

Na het lezen van het interview met Isabel van Boetzelaer kocht ze het boek en verbaasde zich over de lovende woorden op het omslag van Ad van Liempt en Alexander Münninghoff, beiden gerespecteerde schrijvers over goed en kwaad in de oorlog. Respectievelijk: ‘… dit hoge niveau komt zelden voor’ en ‘…een monumentale bijdrage… aan het voortschrijdend inzicht in onze geschiedenis’. Ad van Liempt had het eerste exemplaar van het boek in ontvangst genomen met een toespraak in het Goethe-Institut.

Zelf kon Chaja Polak bij het lezen niet stoppen, zegt ze, met het aanstrepen van verzachtende formuleringen – ‘hooge idealen’, ‘ijzeren wil’ – en omissies. Wel over het lijden van Van Boetzelaer schrijven, en over het lijden van de Duitsers onder de Russen, maar niet over het lijden van de Joden?

Vol afschuw

De grootste schok kreeg ze toen ze in Oorlogsouders voor het eerst de naam Krom las, lid van het commando-Van Boetzelaer. Uit „de vergetelheid diep in haar”, schrijft ze, „wrikt die naam zich los naar haar bewustzijn”. Ze herinnert zich hoe haar moeder hem na de oorlog uitsprak. „Zo vol afschuw, de handen geopend in weerloze ontzetting.” Vanaf dat moment, zegt ze, was haar geschiedenis rechtstreeks verbonden met die van Isabel van Boetzelaer.

Die had intussen kritiek gekregen van Maarten van Voorst, bedrijfsadviseur en publicist. Hij had ontdekt dat haar grootvader Hilmar von der Recke geen verzet tegen Hitler had geboden, zoals ze had geschreven, maar de commandant van een krijgsgevangenenkamp was geweest. In latere drukken van Oorlogsouders zou Isabel van Boetzelaer dat rectificeren.

Lees meer over de kritiek van Maarten van Voorst: ‘Zo had dit boek niet mogen verschijnen’

Chaja Polak schrijft daar ook over, maar het gaat haar in haar boek om Willem van Boetzelaer en Johannes Krom, om de misdaden tegen Joden en verzetsmensen die zij op hun geweten hebben, tegen haar ouders, tegen haar. Haar leven is erdoor bepaald. Ze vertelt over het toneelstuk Leedvermaak van Judith Herzberg dat ze ooit zag. De jonge Joodse bruid Lea zegt daarin tegen haar moeder Ada dat ze met haar mee had gewild naar het kamp. Ada is in de oorlog weggevoerd en heeft haar dochtertje moeten achterlaten bij haar onderduikmoeder. „Dat was het”, zegt Chaja Polak. „Ik wilde niet achtergelaten worden.”

Op de schildersezel in de hoek van haar woonkamer, in haar huis in Amsterdam-Zuid, staat een foto van haar uit de oorlog. Een stralend lachend meisje met een jakje aan, het blonde haar weggestopt onder de capuchon. Chaja Polak fantaseert in haar boek dat de foto speciaal gemaakt is voor haar vader, zodat hij in de onderduik – hij was maar een klein deel van de oorlog bij zijn vrouw en kind – net zo lang naar haar kon kijken als hij wilde. Op transport naar Westerbork schreef hij aan Annetje wat een onuitsprekelijk geluk het is dat Chaja niet is opgepakt.

Het laatste hoofdstuk van De man die geen hekel had aan Joden gaat over het onderzoek dat Chaja Polak met haar broer Hans Fels – zoon uit het tweede huwelijk van Annetje Kupferschmidt – heeft gedaan in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Ze kregen daar niet zomaar toestemming voor, ze zijn geen nakomelingen of verwanten van Van Boetzelaer. „We hebben ze”, zegt Chaja Polak, „kunnen overtuigen van de ongewone verbintenis tussen hem en onze familie.” Urenlang zitten zij en Hans Fels gebogen over drie dozen vol documenten, dezelfde documenten die Isabel van Boetzelaer heeft gezien en waaruit ze, zegt Chaja Polak, selectief geciteerd heeft.

Bruut en harteloos

Chaja Polak citeert in haar boek passages die niet in Oorlogsouders staan, onder andere dat Van Boetzelaer Krom zijn vriend noemt. Krom, Van Boetzelaer en nog een politieman waren, zo luidde de aanklacht in 1947, een „berucht drietal dat zich tot het einde van de bezetting volledig aan de zijde van de vijand heeft geschaard.” En: „Bij zijn werk […] trad hij – de baron – even bruut, harteloos en mishandelend op als de anderen.”

Ook in herziene editie is Oorlogsouders een gevaarlijk boek, vonden Hans Fels en Chaja Polak in mei. Lees ook: ‘Dit type’ Joden bestreed hij niet

Uit getuigenverklaringen van Joden die door het commando-Van Boetzelaer zijn opgepakt citeert ze: „Toen Van Boetzelaer binnenkwam, spuwde hij mij in het gezicht.” En: „Van Boetzelaer schilderde mij haarfijn voor hoe hij […] de doodstraf zou bezorgen. Hij trad dermate bruut op dat mijn vader ter plaatse aan een hartaanval overleed.” En: „Van Boetzelaer riep, toen hij mij in de dakgoot vond: ha, ik heb hem.” En: „Van Boetzelaer had een schijnwerper bij zich. Krom zei tegen [… ] dat ze zich maar goed moest aankleden omdat het in Polen koud zou zijn. Ik heb bij een ontvluchtingspoging een kogel in mijn been gekregen.”

Chaja Polak en haar broer lezen ook de brief die een medegevangene van haar vader, Zalsman, na de oorlog aan het Bijzonder Gerechtshof schreef. Hij had Chaja’s vader gezien in de gang van de gevangenis. Die kon na tweehonderd geforceerde kniebuigingen niet meer lopen, maar bleef zwijgen. Zalsman beschrijft de blik in zijn ogen: „Hij had het niet breed.” Hij vermeldt wat Krom tegen Chaja’s vader had gezegd: „Als je niet praat dan is je vrouw morgen begraven.” Na de eerste doos, zegt Chaja Polak, waren haar broer en zij opgehouden met lezen. Ze konden niet meer.

Ad van Liempt zegt aan de telefoon dat hij allang spijt heeft van zijn lovende woorden op het omslag van Oorlogsouders. Alexander Münninghoff, op reis in Oekraïne, schrikt van wat hij nu hoort en wil eerst het boek lezen. Isabel van Boetzelaer mailt dat ze zich in haar boek heeft beperkt tot de ernstigste strafbare feiten die haar vader begaan heeft.

    • Jannetje Koelewijn