Hop hop hoera! De wederopstanding van de Nederlandse biercultuur

Bierspecial Nederland is weer bierland. Vorig jaar kwamen er 125 brouwerijen bij. We blijven trouw aan pils, maar drinken ook meer speciaalbier.

Foto Benning en Gladkova

In de week van kerst 1981 scoorde Harry Slinger met zijn band Drukwerk een monsterhit met een smartlap. Al bijna veertig jaar gaan armen, glazen bier in de hand, de lucht in om in het café mee te zingen: „Je loog tegen mij alsof ik een kind was, geloof dat je dacht dat ik helemaal blind was.” Het lied bracht niet alleen Harry Slinger nationale faam, het leverde indirect ook een van de meest toonaangevende Nederlandse biermerken op: Brouwerij ’t IJ.

De geschiedenis begon in België, waar de Nederlandse door punk geïnspireerde rockgroep Door Mekaar geregeld shows gaf. Ze hadden één plaatje uitgebracht. Daarop stond het nummer ‘Terug van Troje’, dat later onder de titel ‘Je Loog Tegen Mij’ gecoverd zou worden door Drukwerk. Door Mekaar-zanger en -bassist Kasper Peterson wilde bierbrouwen, en leerde dat van de Belgen. Nederland had destijds (eind jaren 70) weinig te bieden: pils, oud bruin, dat was het zo’n beetje. Dubbels en tripels brouwde Peterson daarom zelf in zijn kraakpand in Amsterdam. Thuisbrouwen was toen overigens (in tegenstelling tot kraken) nog verboden.

Op 26 december 1981 kwam ‘Je Loog Tegen Mij’ de Top 40 binnen om daar pas tegen het voorjaar uit te verdwijnen. Met de inkomsten kon Peterson in 1985 in Amsterdam een voormalig badhuis huren om van zijn illegale brouwerij een onderneming te maken. In zijn eerste bedrijfspand, gelegen aan de voet van een molen, is ’t IJ nog steeds gevestigd.

De hit ‘Je Loog Tegen Mij’ van Drukwerk.

De jaren 80 vormden een dieptepunt voor het Nederlandse bier. Rond 1900 waren er ongeveer vijfhonderd bierbrouwerijen, de jaren daarna begon dat aantal te dalen. Er werd minder bier gedronken, het deel van de markt dat overbleef kwam bijna volledig in handen van enkele industriële brouwerijen. In 1980 was het aantal brouwerijen, inclusief grote merken als Heineken en Grolsch, gedaald tot zeventien, blijkt uit cijfers van de Stichting Nederlandse Biercultuur.

De afgelopen dertig jaar krabbelde het Nederlandse bier langzaam op. Een handvol brouwerijen kwam er jaarlijks bij, tot de jaren tien van deze eeuw. Ruim twintig nieuwe brouwerijen in 2011, 38 een jaar later. In 2013 bijna vijftig, in 2014 ruim het dubbele. In 2017 kwamen er 125 brouwerijen bij. Inmiddels zijn er 647 brouwers actief.

Nagenoeg alle nieuwe brouwerijen zijn kleine bedrijfjes, de meeste brouwers zijn eenpitters. Tussen 2007 en 2017 schommelde het aantal brouwerijen met vijf werknemers of meer rond 25 tot 35.

Geen volwassen biercultuur

In liters is pils nog altijd verreweg het populairst, becijferden de brouwerijen zelf. Pils was in 2017 goed voor ongeveer 83 procent van de Nederlandse bierconsumptie, speciaalbier voor 10 procent. De rest is alcoholvrij of biermix, zoals radler.

Er wordt wel minder pils gedronken. De consumptie bleef sinds 2012 met ongeveer een miljard liter per jaar min of meer gelijk. In die periode steeg de consumptie van speciaalbier met ongeveer vijftig miljoen liter (72 procent). Die ontwikkeling is uiteraard ook de grote merken opgevallen.

„Een hype is het in mijn ogen al niet meer”, zegt Michel Ordeman. Hij is voorzitter van CRAFT, de branchevereniging van ‘onafhankelijke’ (overwegend kleinere) brouwerijen, en directeur van de in 1994 opgerichte Haarlemse brouwerij Jopen. Hij spreekt liever van een trend. „Ik denk dat Nederlandse consumenten heel bewust zijn opgeschoven van pils naar meer specialiteiten, bieren met meer karakter.” De kleinere brouwerijen en nieuwelingen profiteren daarvan, hoort hij van de leden.

Het verschil met dertig jaar geleden, toen bierdrinkers alleen nog konden dromen van zoveel diversiteit als in bijvoorbeeld België, Duitsland of Engeland, is spectaculair. Het is verleidelijk om de wederopstanding van onze biercultuur te vergelijken met die buurlanden, maar die vergelijking gaat mank. Niet alleen zijn respectievelijk Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en België de drie grootste bierproducenten binnen de EU, het zijn ook in historisch opzicht drie van de invloedrijkste biernaties. Meer dan vijfhonderd jaar lang is daar een cultuur opgebouwd die overal ter wereld zijn sporen heeft achtergelaten. Weizen, trappistenbier en IPA komen daarvandaan en horen ook bij ons nog altijd tot de populairste bierstijlen – na pils.

Natuurlijke selectie

De Nederlandse biercultuur is simpelweg nog niet zo volwassen, vindt de van oorsprong Canadese bierschrijver en -consultant Derek Walsh. Ja, Nederland telt meer dan zeshonderd brouwers, maar slechts de helft daarvan is wat hij ziet als een „echte brouwerij”, een producent met een eigen brouwinstallatie. De rest is een zogenoemde gypsy brewer, die capaciteit huurt. Vooral bij die laatste groep ziet hij veel nieuwelingen die het ambacht nog in de vingers moeten krijgen.

„Iedereen vecht om een plek”, zegt Walsh. De biercafés en speciaalzaken kunnen hun klanten voortdurend nieuwe brouwsels bieden. „Dat creëert een cultuur van iedere week een ander bier, iedere week iets nieuws.”

Ook nieuw is het alcoholvrij speciaalbier. Is het lekker? We testen er zeven

Het leidt tot een experimenteerdrift die niet altijd goede bieren oplevert. Maar belangrijker nog: het kan volgens Walsh de ontwikkeling op langere termijn stuiten. Brouwers hebben tijd nodig om aan hun recepten te schaven, om constante kwaliteit te kunnen leveren en het eindproduct te perfectioneren. Als we alle bieren, of ze nou goed zijn of slecht, toch maar één keer willen proberen, zo betoogt hij, krijgen de makers daar de kans niet meer voor.

Hij begint over wat hij ‘tickers’ noemt: een subgroep van fanatiekelingen die alleen geïnteresseerd zijn in het afvinken van bieren die ze nog niet kenden, om ze maar geproefd te hebben. Ze gebruiken daar veelal de app Untappd voor. Daarmee kunnen ze de bieren die ze gedronken hebben toevoegen – ‘inchecken’. Er zijn badges voor bereikte doelen. De badge ‘Heffenista’ krijg je bijvoorbeeld als je vijftien bieren van het type hefeweizen hebt gedronken. Hoe meer check-ins en hoe meer badges, hoe hoger je status.

De tickers schuimen vaak in groepen cafés of bierfestivals af (er zijn er in Nederland bijna honderdvijftig). Het zijn in essentie verzamelaars, op zoek naar bier dat ze willen proberen. Walsh: „Ze nemen een klein slokje en als ze hem hebben afgetikt gaan ze verder. Dat creëert een markt van mensen die alleen maar op zoek zijn naar een snelle smaakindruk, naar iets nieuws.” En die markt is na de VS in Nederland het sterkst, blijkt uit cijfers van Untappd.

Michel Ordeman beaamt de toegenomen vluchtigheid. Hij ziet het als een proces van natuurlijke selectie: een brouwerij bouwt vanzelf een naam op, goed of slecht. „Als mensen drie keer iets nieuws van een brouwerij hebben gedronken waarvan ze denken mwah, zullen ze volgende keer toch zeggen: ik sla even over. Zo wordt de brouwer vanzelf gedwongen beter bier te brouwen.

Lees ook: Het alcoholgebruik van de Nederlander is flink veranderd. Tijd voor wat vragen

De eerste bieren van ’t IJ waren op de Belgische leest geschoeid: fruitig, alcoholisch en soms aan de zoete kant. Nu wordt in navolging van de speciaalbierrevolutie in de VS internationaal meer naar Amerikaanse traditie gebrouwen: meer hop, frisser. ’t IJ gaat daar, net als nagenoeg alle Nederlandse brouwerijen, in mee. Openstaan voor nieuwe stijlen vindt zowel Walsh als Ordeman kenmerkend voor Nederland. Misschien hebben we die attitude juist te danken aan ons gebrek aan een uitgesproken speciaalbiertraditie. Ordeman: „We hebben in Nederland dat oude adagium: wat je van ver haalt is lekker.”

Invloed laten gelden

De grote vraag is hoe het Nederlandse bier zich zal ontwikkelen. Duidelijk is dat, net als elders, de grote brouwerijen een rol zullen spelen. Swinckels, het familiebedrijf achter Bavaria, nam begin oktober de invloedrijke Amsterdamse distributeur Bier & Co over. ’t IJ kwam in 2015 deels in handen van de Belgische onderneming Duvel Moortgat.

Grote brouwers gooien hun gewicht in de strijd door te investeren in de brouwerijen en hun invloed te laten gelden op bijvoorbeeld het aanbod van speciaalbier in de supermarkten. Liefhebbers vrezen dat de multinationals geen ruimte meer zullen bieden aan het experiment. De kleinere brouwerijen hebben de naam meer op de smaak en minder op de marge te produceren. Zowel Walsh als Ordeman wijst erop dat de invloed van grote brouwerijen óók positief kan zijn voor de kwaliteit. Ze hebben technische kennis en aanzienlijk meer mogelijkheden om te investeren.

Intussen is bij ’t IJ de capaciteit niet meer toereikend en een tweede brouwlocatie in de stad kon de vraag evenmin aan. Duvel Moortgat sprong bij. Onder meer de tripel Zatte wordt nu in België gebrouwen.

In België gemaakt of niet: alles van ’t IJ geldt nog steeds als echt Amsterdams. Sterker: het Belgische geld stelt de brouwerij in staat om ook de capaciteit in Amsterdam uit te breiden. Vanaf volgend jaar wordt alles weer in Nederland gemaakt, is het plan.

    • Bastiaan Nagtegaal