Opinie

    • Maarten Schinkel

Waarom het tekort van Italië veel te hoog is

High noon in Brussel. Dinsdag stuurde de Europese Commissie de begroting van de Italiaanse regering-Conte per omgaande terug naar Rome. Opnieuw graag, was de boodschap, en dan beter. Dat wordt binnen drie weken, als de regering van Lega en Vijfsterren met een nieuw ontwerp moet zijn gekomen, interessant. Een Italiaanse ramkoers betekent dat de Europese Commissie voor het eerst gebruik kan maken van de mogelijkheid een boete uit te delen. De kans daarop is om politieke redenen trouwens vrij klein.

Intussen rijst de vraag: is dat nou zo erg, die Italiaanse begroting? Oké, er was aanvankelijk een begrotingstekort van 0,8 procent beloofd. Dat leek een tijdje 1,6 procent te worden. En nu prijkt er een tekort van 2,4 procent voor 2019. Inkomenssteun voor de laagstbetaalden en lastenverlichtingen voor het bedrijfsleven werden door Vijfsterren en Lega uitgeruild. Daar komt het weer verlagen van de pensioenleeftijd voor langdurig werkenden bij.

Uitruilen is duur. Maar dat resulterende tekort van 2,4 procent is toch nog steeds onder de drempel van 3 procent uit het Verdrag van Maastricht? Waar doen ze in Brussel dan zo moeilijk over?

‘Maastricht’ stamt echter uit een heel ander tijdperk. Het uitgangspunt dat een staatsschuld niet hoger mag zijn dan 60 procent en het tekort niet groter dan 3 procent, zijn het resultaat van een heel simpele rekensom. Bij een nominale economische groei van 5 procent (volumegroei plus inflatie) blijft een staatsschuld constant op 60 procent van het bbp als het begrotingstekort 3 procent bedraagt.

Maar we leven niet meer aan het begin van de jaren negentig, toen de criteria verzonnen werden. 2 procent inflatie halen we al sinds de Lehman-crisis niet meer. Het beste wat de Europese Centrale Bank kan doen, is zijn doel halen: een inflatie van net onder 2 procent, zeg: 1,75 procent. De volumegroei van de economie van de eurozone is nóg veel lager dan destijds gebruikelijk was. De ‘potentiële groei’, het tempo dat de economie aankan zonder te oververhitten, wordt geschat op nog maar 1,5 procent. Samen geeft dat een nominale groei van 3,25 procent.

Dit verandert de rekensom: bij een begrotingstekort van 3 procent tendeert de staatsschuld nu naar iets meer dan 92 procent. Of andersom: wie zijn staatsschuld naar 60 procent wil krijgen, mag een maximaal begrotingstekort hebben van nog geen 2 procent.

Voor Italië geldt de verandering in nog sterkere mate. Want de potentiële groei van de eurozone mag gemiddeld dan al een lage 1,5 procent zijn, voor Italië is hij -0,4 procent. Dit is de vaststelling door de Europese Commissie. Hij staat in een voetnoot van de officiële beoordeling van Italië van begin dit jaar. De normale toestand van de Italiaanse economie is er dus een van krimp. Bij een inflatie van 1,75 procent is de nominale Italiaanse groei dus 1,35 procent.

Laat dit even bezinken en gooi dit cijfer door de Maastricht-formule. Bij een begrotingstekort van 3 procent tendeert de Italiaanse staatsschuld van 130 procent op de lange termijn naar boven de 220 procent van het bbp. Dat kan natuurlijk niet. Zelfs als de lagere 2,4 procent van de regering-Conte structureel wordt aangehouden gaat de staatsschuld naar 176 procent.

Andersom: welk begrotingstekort is er nodig om de Italiaanse staatsschuld onder deze magere economische omstandigheden naar 60 procent te laten tenderen? Antwoord: maximaal 0,8 procent. Hé, was dat niet het oorspronkelijke plan, die 0,8 procent? Nee. Het zou nog lager moeten zijn, gezien de huidige hoogconjunctuur. Wacht maar tot de recessie vroeg of laat toeslaat.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.
    • Maarten Schinkel