Recensie

Verstoten en verzameld erfgoed uit Oceanië in Britse Royal Academy

Tentoonstelling In een tijd van fel bestreden westerse superioriteitsgedachten, wijdt de Royal Academy een genuanceerde expositie aan koloniaal erfgoed uit de Stille Zuidzee.

Godenbeelden uit Hawaii op de tentoonstelling ‘Oceania’ in de Royal Academy in Londen. Foto Epa/Andy Rain

Dit jaar viert de Royal Academy of Arts in Londen het 250-jarige bestaan. In 1768, het jaar van de oprichting, vertrok kapitein James Cook vanuit Plymouth op een reis naar de voor Europeanen nog nauwelijks bekende Stille Zuidzee.

Ter gelegenheid van deze twee jubilea houdt de eerbiedwaardige academie een grote tentoonstelling van kunst- en gebruiksvoorwerpen uit die gebieden. Veel van die objecten zijn terechtgekomen in collecties in Engeland, Frankrijk, Duitsland en Nederland. In een tijd waarin de westerse superioriteitsgedachte fel wordt bestreden, lijkt het weinig voor de hand te liggen een greep te presenteren uit dit koloniale erfgoed. De expositie in Londen (later in 2019 in Musée du Quai Branly, Parijs) en de bijbehorende catalogus laten echter op voorbeeldige wijze zien hoe het onderwerp met zowel realiteitszin als respect kan worden aangepakt.

Bekijk ook deze graphic: Eenderde van de collectie van ‘Branly’ komt uit Afrika
Getatoeëerd figuur van een vrouw uit de achttiende of vroege negentiende eeuw, Aitutaki. 58 centimeter hoog. Foto Marianne Franke

Honderden eilanden

Het immense eilandenrijk dat wel met de term Oceanië wordt aangeduid, strekt zich uit tussen de kust van Australië en die van Chili en Peru in Zuid-Amerika. Verspreid over een wateroppervlak dat meer dan eenderde van dat van de aarde beslaat liggen honderden eilanden die, zoals James Cook al constateerde, grote onderlinge verschillen vertonen, maar ook een opvallende eenheid vormen door bijvoorbeeld de vergelijkbare talen, religieuze praktijken en technische kennis van hun inwoners. De zee die de eilanden scheidt en waarover handel werd gedreven en oorlog gevoerd, weerspiegelt zich in gebruiksvoorwerpen als – soms verbazingwekkend kleine – beschilderde houten kano’s en met verfijnde motieven gedecoreerde peddels.

Religieuze ceremonies vroegen om schitterende mantels van veren of boomschors met kleurige geometrische motieven, maskers en hoofdtooien. Goden werden verbeeld in de vorm van angstaanjagende, grote koppen uit Hawaii van vezels en veren, met mensenhaar en hondentanden. De vooroudercultus die op veel plaatsen een centrale rol speelde, resulteerde in de houten vereenvoudigde mensenfiguren die in Europa in de smaak vielen bij kunstenaars als Picasso.

Walvis-ivoor met kralen, 12 cm. Hook, 1870 , uit de collectie van de Universiteit van Cambridge. Foto EPA

Roofkunst?

De aanwezigheid zo ver van huis van dergelijke prachtige en intrigerende voorwerpen roept al snel associaties op met roof door westerlingen, of buit als gevolg van ongelijke verhoudingen. Toch, zo benadrukt de expositie, zijn veel voorwerpen eerlijk verhandeld. Schenking ervan maakte deel uit van pogingen tot verbeteren van handelscontacten, en zelfs vorstelijke uitwisseling in het diplomatieke verkeer tussen bijvoorbeeld koning Kamehameha II van Hawaii, die in 1824 veren mantels meebracht voor zijn Engelse ambtsgenoot George IV.

Maar de contacten met het Westen hadden ook onmiskenbaar desastreuze gevolgen. Een van de stille getuigen daarvan is een anderhalve meter hoog beeld van zwart basalt dat zich nu in het British Museum bevindt. De sculptuur, die ergens tussen 1100 en 1600 is gemaakt op Rapa Nui (Paaseiland), toont een bovenlichaam zonder armen; het hoofd heeft een zo te zien gekweld, hemelwaarts gericht gezicht. In 1868 werd het meegenomen door Britse officieren. Het eiland was inmiddels deels ontvolkt door, uit Europa meegekomen, besmettelijke ziektes. Bovendien was een groot deel van de mannelijke bevolking als slaaf weggevoerd naar Peru om te werken in de guanomijnen. De oorspronkelijke religie rondom moai, de enorme monolithische beelden waar het eiland nog steeds om bekend staat, was ingeruild voor geïmporteerd katholicisme.

De catalogustekst maakt opvallend veel werk van de naam ‘Moai Hava’ waaronder het beeld bekendstaat. Die werd gebruikt door de lokale gidsen die de Engelse zeelui in 1868 begeleidden. De term ‘hava’ werd door de Europeanen begrepen als ‘afgewezen’ of ‘verstoten’. Misschien, zeggen de auteurs nu, verwezen de Rapanuiaanse begeleiders ermee naar „de afwijzing van het beeld als symbool van de oude godsdienst, of naar het verlies voor het eiland door zijn transport naar Engeland”. Het bewustzijn van de oorspronkelijke eigenaars van de inbreuk op hun beschaving geeft aan deze prachtige expositie een tragische ondertoon.

    • Bram de Klerck