Ruimteschip ontmoet oerhut

Architectuur

Bij het voormalige Burgerweeshuis staat een groot model van het beroemde Maison d’Artiste. Een onverwachte ontmoeting.

Model van het Maison d’ Artis te van de De Stijl-leden Theo Van Doesburg en Cornelis van Eesteren op het voorplein van het Burgerweeshuis. Foto Herman Bunzing

Een gebouw dat een ruimteschip wil zijn, noemt architect Herman Hertzberger (1932) het Maison d’ Artiste van de De Stijl-leden Theo Van Doesburg en Cornelis van Eesteren. In de vorm van een prachtig reuzenmodel is dit nu geland op het voorplein van het voormalige Burgerweeshuis in Amsterdam.

Het is „een wat overmoedige poging om het huis te zien als een platform ter exploratie van de ruimte”, schrijft Hertzberger in zijn essay voor de tentoonstelling over het Maison d’ Artiste in het onlangs gerestaureerde Burgerweeshuis, dat nu dienst doet als kantoor van gebiedsontwikkelaar BPD.

Het model van een meter of vier hoog – eenvijfde van de grootte die het nooit gebouwde huis had moeten krijgen – heeft de makers veel hoofdbrekens bezorgd. De oorspronkelijke kleine maquette die Van Doesburg en Van Eesteren in 1923 hadden geknutseld voor een De Stijl-tentoonstelling in Parijs vond al gauw zijn einde in de vuilnisbak. En de zwart-witfoto’s van hun model en de ontwerptekeningen ervan laten veel te raden over. Uiteindelijk hebben Delftse bouwkundestudenten onder leiding van emeritus hoogleraar Mick Eekhout zo goed mogelijk vastgesteld hoe het kunstenaarshuis precies in elkaar zit. Dat deden ze met behulp van geodesie-techniek, die gewoonlijk wordt gebruikt voor het in kaart brengen van landschappen.

Een onverwachte ontmoeting, noemt Hertzberger de plaatsing van het Maison d’ Artiste bij het Burgerweeshuis in zijn essay. Want het contrast tussen het kunstenaarshuis van De Stijl en het Burgerweeshuis, de eerste en belangrijkste uiting van het ‘structuralisme' waartoe ook Hertzbergers werk wordt gerekend, kan volgens hem niet groter zijn.

Het door Aldo van Eyck ontworpen weeshuis uit 1960, bestaande uit honderden doosjes met een koepel en enkele grotere bouwdelen, was „vooral bedoeld als een veilige haven en thuiskomst voor kwetsbare kinderen”. Maar het Maison d’ Artiste heeft niets te maken met een ‘thuis’, vindt Hertzberger. Integendeel, het is architectuur die „naar buiten wil treden” en de ruimte wil veroveren.

Zo zijn er wel meer contrasten. Terwijl het hemelbestormende Maison d’ Artiste omhoog spiraalt en met zijn uitkragende dozen de zwaartekracht tart, staat het lage Burgerweeshuis juist stevig op de grond. En is het kunstenaarshuis met zijn vlakken in primaire kleuren een kakelbont geheel; met zijn muren van onbewerkt grijs beton en bruine bakstenen is het voormalige weeshuis juist een ‘aards’ gebouw.

En terwijl het Maison d’ Artiste zo complex is dat het nog steeds niet duidelijk is hoe het op ware schaal zou moeten worden gebouwd, zijn de eenvoudige doosjes van het Burgerweeshuis met hun kolommen en balken gebouwd volgens een methode die al duizenden jaren wordt gebruikt. Het Maison d’ Artiste is, kortom, nog steeds toekomstmuziek, en het Burgerweeshuis is een soort oerhut.

Toch wordt het kunstenaarshuis op de tentoonstelling over het Maison d’ Artiste in de expositieruimte van het BPD-kantoor nu gepresenteerd als een gebouw dat verwant is met het Burgerweeshuis. En niet zonder reden, zo is vooral goed te zien in de ‘schatkamer’ van het BPD-kantoor. Hier staan niet alleen enkele schitterende maquettes van nog bestaande en verdwenen binnenruimtes van Van Eycks meesterwerk, zoals een ‘pannenkoekenhuisje’, maar ook een houten model van het Burgerweeshuis. Dit vormt, naar een ontwerp van Ricky Rijkenberg, één vloeiend geheel met het tafelblad waar het op staat en geeft zo de bezoeker de blik van een vliegende vogel. En van bovenaf gezien wordt duidelijk dat ook het Burgerweeshuis de ruimte wilde veroveren: op soortgelijke wijze als het Maison d’ Artiste een ruimte veroverende skyscraper wil zijn blijkt het weeshuis een groundscraper van rechthoekige doosjes die, net als de schilderijen van Mondriaan, naar alle kanten zou kunnen worden voortgezet.

    • Bernard Hulsman