Recensie

Vader is dood en de moordenaars zijn vrijuit gegaan

Édouard Louis

In een brief aan zijn zieke vader klaagt de literaire sensatie Édouard Louis (1992) de politieke klasse aan die hij verantwoordelijk houdt voor het lot van zijn familie, en die de onderkant van de samenleving enkel met dedain bejegent.

Édouard Louis: 'Voor de elite is politiek vooral een esthetische kwestie.' Foto: Arnaud Delrue

De vader van de Franse schrijver Édouard Louis (1992) is dood en de moordenaars zijn vrijuit gegaan. Of nou ja, de man leeft nog wel, ergens in een Noord-Frans stadje, maar door het geweld van de politieke klasse kan hij geen tien meter lopen zonder buiten adem te zijn en heeft hij een machine nodig om zijn hart te laten kloppen.

Aldus Louis in zijn recent verschenen Ze hebben mijn vader vermoord, zijn derde boek in vier jaar. De ster van de jonge auteur is rap rijzende: laatst sprak hij in een vol Paradiso, zoals hij grote publieken toespreekt van Los Angeles tot Parijs, zijn thuisstad. In Frankrijk is hij in korte tijd één van de belangrijkste literaire en politieke stemmen geworden.

En dat als zoon van een fabrieksarbeider wiens rug kapot is en die volgens Louis constant vernederd wordt door de politieke klasse. Met bezuinigingen op uitkeringen, waardoor hij – ondanks die rug – straten moet gaan vegen. Met ‘misdadige zinnen omdat ze er niets van weten’ , zoals die van Macron die arbeiders vertelt dat als ze een mooi pak willen hebben, ze gewoon harder moeten werken. Het verhaal van het lichaam van Louis’ vader, schrijft hij, ‘beschuldigt de politieke geschiedenis’.

De moordenaars, dat zijn de Franse (ex-) presidenten Jacques Chirac, Nicolas Sarkozy, François Hollande en Emmanuel Macron en hun ministers van Sociale zaken en Volksgezondheid. Links, rechts, sociaal-democraat, conservatief, vlotte liberaal: het maakt volgens Louis niet uit, allen spreken ze wat socioloog en filosoof Didier Eribon in Terug naar Reims ‘de taal van de bestuurders, niet de bestuurden’ noemde.

Controlestaat

Allen lijken ze bevangen door de ideologie waarin de rijken rijker moeten worden en de armen armer – ze hebben het beiden verdiend. Politici die mensen uit wat vroeger de arbeidersklasse heette, maar in wat een klasseloze samenleving zou zijn ook wel de ‘onderkant van de samenleving’ genoemd, willen ‘prikkelen’ om aan het werk te gaan en er iets van te maken. Daarom worden de medicijnen die Louis’ vader nodig heeft niet meer vergoed, wordt er bezuinigd op uitkeringen, en wordt de verzorgingsstaat voor hen vooral een controlestaat – de film I, Daniel Blake van Ken Loach ging er al over.

De eerste pakweg zestig pagina’s van Ze hebben mijn vader vermoord lezen als een mogelijke bevestiging van de noodzaak van die ‘hervormingen’. Louis beschrijft een lamlendige cultuur van alcoholisme en achterstelling, waarin iedereen zijn lot lijkt te accepteren, niemand meer echt vecht (behalve met elkaar) en waarin de sociale problemen als onoverkomelijke onderdelen van het leven lijken te worden gezien. Dat doet denken aan Hillbilly Elegy, een rond de verkiezing van Trump door de Amerikaanse conservatief J.D. Vance gepubliceerde beschrijving van de witte, rurale onderklasse waarin hij opgroeide. Waarom máken die mensen er niet wat van?

Wellicht is dat precies wat iemand die het beter getroffen heeft placht te zeggen, en precies waartegen Louis in verzet komt. Voor de stedelijke, liberale (culturele en politieke) elites staat er minder op het spel dan voor de arbeiders. Politiek is voor hen vooral een ‘esthetische kwestie’, schrijft Louis: ‘Een manier om over zichzelf te denken, een manier om de wereld te zien, om zichzelf op te bouwen’. [...]. ‘Ze doen aan politiek terwijl de politiek bijna geen invloed op hun leven heeft’, schrijft Louis. Nee, dan zijn vader: door de bezuinigingen, ‘hervormingen’, van politici moet hij zijn rug nog meer krommen, aldus Louis in de lange brief aan zijn vader die het boek is.

Ze hebben mijn vader vermoord is zo een omarming van de wereld waarin Louis opgroeide. Het recept is hetzelfde als Terug naar Reims van Eribon: schrijver keert terug naar de plaats die hij vanwege de bekrompenheid die hij er ervoer de rug toekeerde, ziet het gevecht om leven en dood dat mensen er met de politiek voeren, het verraad van de politieke klasse (ook van links!) en omarmt de omgeving, omdat de inwoners er altijd verliezen.

Verhuisd naar mondain Parijs

Wat een verschil met Weg met Eddy Bellegueule, Louis’ debuut. Dat boek las juist als een afwijzing van dezelfde wereld, toen nog klein en bekrompen. Een in zichzelf gekeerde onderklasse die de schuld gaf aan iedereen – vooral migranten – behalve aan zichzelf. Met Louis’ verhuizing naar het mondaine Parijs nam hij nadrukkelijk afscheid van die wereld.

De verklaring voor het verschil tussen de twee boeken is te vinden in het essay waarmee Louis een recent verschenen en door hem samengestelde bundel over socioloog Pierre Bourdieu opent. Dat essay is ook het meest lezenswaardig in een bundel die verder vooral interessant is voor in Bourdieu geschoolde fijnproevers.

In het openingsessay, Wat het leven met de politiek doet, beschrijft Louis hoe hij na zijn verhuizing naar Parijs en het succes van zijn debuutroman een ‘klassenmigrant’ wordt. Politiek had hij altijd ervaren als ‘een vloek die de armen trof’. Een kwestie van ‘leven of doodgaan’, die Louis en zijn familie angst inboezemde. Want wat als de voorgestelde ‘hervormingen’ op de sociale zekerheid doorgingen?

Lees ook het interview van correspondent Peter Vermaas met Édouard Louis eerder deze maand: Radicaal in de aanval op de bourgeoisie

Maar in Parijs speelt Louis ‘het spel van de heersende klasse een tijdje mee’. Hij laat zich fêteren door de Franse bourgeoisie, is gevierd gast op literaire dinertjes. Daar hoort hij op een avond de directeur van een Franse supermarktketen pochen over de boekwinkels die hij heeft geopend. Maar wacht, is dat dezelfde man die Louis’ voormalige klasgenotes en hun moeders uitknijpt als ze achter de kassa’s zitten? Hij doorziet de hypocrisie, verontschuldigt zich en keert huiswaarts. Dan maar niet ‘sociaal meetellen’ als klassenmigrant.

Politiek, betoogt Louis overtuigend, is nooit onschuldig. Het gaat voor velen om leven of dood. Degenen die het als spel ervaren, zoals veel politici – en ook journalisten – zijn zelden de mensen wiens banen door ‘flexibilisering’ verdwijnen. Zij zijn niet degenen die ‘geprikkeld’ moeten worden. Politiek als leuke, wat onverschillige bezigheid, in plaats van de continue vernedering zoals sommigen het ervaren. Wát een sterke aanklacht zijn het essay en Ze hebben mijn vader vermoord. Édouard Louis is een stem die niet alleen gehoord moet worden, nee, het is er een waar naar geluisterd moet worden.

    • Mark Lievisse Adriaanse