Recensie

‘Het begon ooit als een protest’

Documentaire In driedelige docuserie ‘30 jaar Dutch Dance’ vertellen nagenoeg alle sleutelfiguren hoe house evolueerde tot de spectaculaire supershows van de deejays met sterstatus.

Beelden uit de documentaire 30 jaar Dutch Dance. Foto’s ID&T, Cleo Campert

In het derde en laatste deel van de fascinerende documentaireserie 30 jaar Dutch Dance (VPRO) maakt de prominente deejay Armin van Buuren de cirkel rond: „Het begon ooit als protest tegen de mooie liedjes, van Madonna en Michael Jackson, alles wat je op de radio hoorde. Nu maken we zelf weer melodieuze muziek en worden we op de radio gedraaid. En dat is goed.”

Dertig jaar na de tweede Summer of Love (1988) maken regisseur Sacha Vermeulen en eindredacteur Maarten Slagboom de balans op van een tegenbeweging die Nederlands belangrijkste culturele exportproduct zou worden. In drie uitzendingen (komende zaterdag op NPO 3 deel 2, daarna beschikbaar op NPO Start) vertellen nagenoeg alle sleutelfiguren hoe house evolueerde tot de spectaculaire supershows van de deejays met sterstatus. Voor de fans zijn de grote lijnen wel bekend, maar voor iedereen dient het project met website en podcast als een soort naslagwerk, met analyses, anekdotes, woordenboek (het verschil tussen hardcore en hardstyle) en heel veel schitterend archiefmateriaal.

In deel een (Pioniers) worden de wortels van de housemuziek benoemd: een tot het basisritme van drum en bas teruggebrachte elektronische variant op disco, die vooral bloeide in Detroit en Chicago. Aan The Warehouse in Chicago, een disco met voornamelijk Afro-Amerikaanse gay clientèle, ontleende het genre zijn naam.

Staking van de dansvloer

Ook in Europa was het aanvankelijk een aangelegenheid voor de avant-garde. Eddy de Clercq, die in de toonaangevende Amsterdamse disco RoXY de nieuwe muziek introduceerde, en zijn collega Joost van Bellen, herinneren zich het verzet: staking van de dansvloer, bierdouches, onwillig personeel. Totdat na de feestzomer van 1988 op Ibiza, en de komst van vreugdevolle nieuwe pilletjes, in september het plotseling omsloeg. RoXY en IT, een nog flamboyanter disco, werden ineens de plaatsen waar je wezen moest. Maar jongens op Nikes uit Landsmeer, zoals Duncan Stutterheim en zijn vrienden, doorstonden meestal de selectie aan de deur niet. Zij gingen zelf dus maar feesten organiseren, zoals The Final Exam in Thialf, Heerenveen: het begin van een snelle massificatie van een undergroundfenomeen.

Het documentaireproject besteedt vanaf het begin ook aandacht aan wat er in Rotterdam gebeurt: nog heftiger en harder, minder elitair en meer etnisch divers. En ook aan de sociale aspecten van de snel expanderende tegenbeweging. Het leidde tot wrijving: in de popkritiek, waar pro en contra recht tegenover elkaar stonden, in de media die vooral drugs en illegaliteit waarnamen, en ook bij de belastingdienst, die deejays hoge naheffingen oplegde als ze geen bonnetjes konden laten zien.

De Multigroove-feesten in Amsterdam resulteerden in een kat- en muisspel met de politie. Als een oude fietstunnel onder de A10 werd dichtgelast en ingegraven, wisten relaties met ervaring in de kraakbeweging de feestlocatie toch weer snel open te krijgen.

Harder, harder, harder

Deel twee (Harder, harder, harder) schetst een explosie van hedonisme. In de jaren 90 waren het juist de gewone fans, de gabbers uit de Rotterdamse haven, de bezoekers van de eerste festivals (Mysteryland, Dance Valley), en alle andere dansliefhebbers die de grenzeloosheid van het decennium onderstreepten met een bijna permanent feestgevoel.

Dan is het in 1999 ineens afgelopen, zo lijkt het: de IT sluit, de RoXY brandt af, er ontstaat een richtingenstrijd: is happy hardcore verraad aan de originele hardcore?

Maar deel 3 (De wijde wereld) laat dance uit zijn as verrijzen, met de grootscheepse evenementen van Stutterheims bedrijf ID&T als richtsnoer. Stutterheim vertelt hoe hij bedacht dat die feesten een ster moesten hebben en dat dat de deejay moest zijn, dus overreedde hij DJ Tiësto die rol te gaan spelen. Het grote geld begon te stromen, globalisering was ook in de muziek het toverwoord. Het is moeilijk de brug te slaan van Eddy de Clercq naar Martin Garrix, maar 30 jaar Dutch Dance slaagt daar heel aardig in.

Resteert de vraag wat nu juist die Nederlandse dance zo succesvol maakt: Lange traditie? Technisch, zakelijk en organisatorisch vernuft? No nonsense-aanpak? Zo ongeveer dezelfde redenen dus die André Rieu tot een exportkanon maken…